Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1494

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-02-2007
Datum publicatie
26-03-2007
Zaaknummer
05-6311 AW + 05-6375 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluitvorming inzake functiewaarderingen voldoen niet aan eisen van zorgvuldigheid en motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/85
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6311 AW + 05/6375 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

1. [appellant 1],

2. [appellant 2],

(hierna: appellanten),

tegen de uitspraken van de rechtbank Maastricht van 16 september 2005, 04/553, onderscheidenlijk 26 september 2005, 04/590, (hierna: aangevallen uitspraken),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

het College van bestuur van de Universiteit Maastricht (hierna: college)

Datum uitspraak: 15 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2007. De zaken zijn daar gevoegd behandeld. Appellanten zijn beiden verschenen; appellant 2 werd bijgestaan door dr. mr. S.F.H. Jellinghaus, advocaat te Tilburg. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.M.G. Manders en E.M. Klekamp, beiden werkzaam bij de Universiteit Maastricht.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten zijn als respectievelijk biologische-veiligheidsfunctionaris (BVF) en stralingsdeskundige werkzaam bij de afdeling Arbo & Milieu van de dienst Facilitaire Zaken van de Universiteit Maastricht (UM).

1.2. Bij besluiten van 20 november 2003 heeft het college de genoemde functies ingedeeld in het functieprofiel arbo- en milieudeskundige op het functieniveau 2. Dit komt overeen met salarisschaal 11. Het college heeft deze besluiten na bezwaar gehandhaafd bij de bestreden besluiten van onderscheidenlijk 22 maart 2004 en 15 maart 2004.

1.3. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellanten ongegrond verklaard.

2. Naar aanleiding van hetgeen appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Ingevolge hoofdstuk 8, paragraaf 1, van de CAO Nederlandse Universiteiten (CAO NU) is met ingang van 1 april 2003 een nieuw systeem van functieordenen van toepassing op de medewerkers van de universiteiten. Dit systeem is gebaseerd op de Hay-methode en opgenomen in een bijlage bij de CAO-NU, getiteld Universitair Functie-ordenen (UFO).

2.2. Blijkens het gestelde in de bedoelde bijlage wordt UFO toegepast in twee stappen. Eerst wordt voor de medewerker het functieprofiel gezocht dat het best bij zijn werk past. Een functieprofiel is een compacte beschrijving van een generieke (voorbeeld)functie, omvattende een functietitel (de naam van de functie), het doel van de functie, de organisatorische context en de voor de functie geldende resultaatgebieden (kenmerkende kernactiviteiten, daarvoor geldende kaders, te bereiken resultaten en uit te voeren activiteiten). De binnen de universiteiten voorkomende functieprofielen zijn, onder-verdeeld in functiefamilies, opgesomd in een bijlage bij de zogeheten Werkgevershand-leiding Geautomatiseerde indelingsinstrument. Nadat uit deze verzameling het functieprofiel is gekozen dat het beste past bij het werk van de betrokkene, volgt de tweede stap: het bepalen van de zwaarte, het niveau van de functie. Daartoe is per functieprofiel voorzien in zogenoemde indelingscriteria en indelingsregels. In bepaalde gevallen kan ook een combinatie van functieprofielen worden gekozen. Verder bestaat de mogelijkheid om zogeheten bijzondere functies of zeldzame functies aan te wijzen.

2.3. De bezwaren van appellanten komen er in hoofdzaak op neer dat bij de functie-ordening geen rekening is gehouden met wezenlijke onderdelen van hun functies en dat die functies daardoor zijn ondergewaardeerd. In dit verband hebben appellanten gewezen op de bijzondere, in wet- en regelgeving verankerde positie van de BVF en de stralings-deskundige, alsmede op de ingrijpende zelfstandige bevoegdheden - bijvoorbeeld tot het onverwijld stilleggen van bedrijfsactiviteiten in geval van onregelmatigheden of calamiteiten - die krachtens de wet aan deze functies zijn verbonden.

2.4. Het college heeft aangevoerd dat het UFO-systeem moet worden aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift en dat het stelsel van functieprofielen naar zijn aard nu eenmaal geen rekening houdt met alle bijzonderheden van de individuele functie. Het gaat erom, het functieprofiel te zoeken waarbij de individuele functie het best aansluit. Geenszins is vereist dat het functieprofiel de functie precies dekt, aldus het college.

2.5. Uit het UFO-systeem en de daarbij behorende handleidingen leidt de Raad af dat de start van het proces van functieordening wordt gevormd door het bepalen van de mogelijk relevante functieprofielen aan de hand van één of meer zoekingangen. Zo kan worden gezocht vanuit de functiefamilies, de functietitels, het functieniveau, het resultaatgebied, de functielandkaart en de synoniemen. Dit zoeken geschiedt door het bevoegd gezag. Bijzondere gevallen daargelaten, kiest het bevoegd gezag vervolgens uit de in aanmerking komende functieprofielen het profiel dat naar zijn oordeel het meest van toepassing is op de concrete functie.

2.6. Hoewel in het UFO-systeem niet is voorgeschreven dat voorafgaande aan de functieordening een functiebeschrijving wordt opgemaakt, is de Raad van oordeel dat de start van het proces van functieordening niet kan worden gemaakt zonder te beschikken over een deugdelijke voorstelling van de inhoud van de in te delen functie. Waar het immers gaat om een analyse van de opgedragen werkzaamheden, is een duidelijke en herkenbare weergave daarvan op hoofdlijnen vereist. Aan het college kan worden toegegeven dat het bevoegd gezag in principe zelf de inhoud van de functie bepaalt en daarbij desgewenst kan steunen op allerlei bronnen zoals vacature-publicaties, aanstellingsbrieven, beoordelingen en verslagen van functioneringsgesprekken. Dit betekent echter niet dat een schriftelijke vastlegging van de tot uitgangspunt genomen functie-inhoud mag ontbreken. Die vastlegging is niet alleen vereist met het oog op de zorgvuldigheid van de besluitvorming, maar ook om deze voor de betrokken ambtenaar inzichtelijk en voor de rechter toetsbaar te maken.

2.7. Aan deze eisen van zorgvuldigheid en motivering voldoet de besluitvorming door het college niet. Weliswaar bevinden zich in de dossiers enkele oudere functiebeschrijvingen, maar deze zijn door appellanten aangemerkt als onvolledig en/of gedateerd en van enige (poging tot) actualisering met het oog op de in geding zijnde functieordening is niet gebleken. De Raad is dan ook van oordeel dat de bestreden besluiten zijn genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2.8. De bestreden besluiten komen dus voor vernietiging in aanmerking, evenals de aangevallen uitspraken waarbij zij in stand zijn gelaten.

De Raad komt niet toe aan de grieven van appellanten die aansluiten bij de door de Commissie Gelijke Behandeling in oordeel 2006-198 van 21 september 2006 geconstateerde gebreken in het UFO-systeem.

3. De Raad acht termen aanwezig om het college met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot € 322,- voor elk der appellanten aan kosten wegens aan appellanten in eerste aanleg verleende rechtsbijstand en van een bedrag groot € 644,- aan kosten wegens aan appellant 2 in hoger beroep verleende rechtsbijstand, alsmede tot een bedrag groot € 8,64 voor appellante 1 aan reiskosten in eerste aanleg en tot een bedrag groot € 40,64 voor appellante 1 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal derhalve € 371,28 voor appellante 1 en € 966,- voor appellant 2.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraken;

Verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de besluiten van 15 maart 2004 en 22 maart 2004;

Bepaalt dat het college nieuwe besluiten op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt het college in de proceskosten van appellante 1 tot een bedrag van

€ 371,28 en in de proceskosten van appellant 2 tot een bedrag van € 966,-, beide bedragen te betalen door de Universiteit Maastricht;

Bepaalt dat de Universiteit Maastricht aan ieder van appellanten het door haar/hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 343,- per persoon vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2007.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

19.01

Q