Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1480

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-03-2007
Datum publicatie
26-03-2007
Zaaknummer
05-2061 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering en invordering teveel betaalde WAO-uitkering.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 8:1
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2061 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 29 maart 2005, 04/291 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2007. Appellant is, met kennisgeving, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. S.T. Dieters.

II. OVERWEGINGEN

Bij brief van 18 september 2002 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat zijn uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geheel is ingetrokken. Bij besluit van 16 oktober 2002 heeft het Uwv de over de periode van

1 augustus 2002 tot en met 30 september 2002 onverschuldigd betaalde WAO-uitkering ter hoogte van € 2.170,22 van appellant teruggevorderd en het terug te betalen bedrag beperkt tot € 1.664,32. Bij brief van 20 november 2002 heeft het Uwv aan appellant bevestigd dat is afgesproken dat appellant laatstgenoemd bedrag in termijnen van € 400,- zal terugbetalen.

Uit een brief van het Uwv van 22 januari 2003 aan appellant blijkt dat deze slechts een keer een bedrag van € 400,- heeft terugbetaald. Na verscheidene aanmaningen en een inkomensonderzoek heeft het Uwv een nieuwe betalingsregeling vastgesteld. Bij brief van 5 september 2003 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat een bedrag van € 284,50 is verrekend met zijn uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) en dat hij het nog resterende terugvorderingsbedrag van € 1336,37 diende terug te betalen in termijnen van € 30,-. Appellant heeft niets terugbetaald.

Nadat het Uwv op 21 oktober 2003 appellant een waarschuwing had gezonden, heeft het Uwv bij besluit van 10 februari 2004 appellant meegedeeld dat hij nu ook de wettelijke rente over het terugvorderingsbedrag naar een nog nader te bepalen bedrag diende te betalen alsmede invorderingskosten ad € 200,45. Bij besluit van 19 maart 2004 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 februari 2004 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

Het onderhavige geding heeft uitsluitend betrekking op het besluit van 19 maart 2004, waarbij de bezwaren van appellant tegen de in rekening te brengen invorderingskosten ad € 200,45 ongegrond zijn verklaard. Appellants standpunt dat ook het terugvorderingsbesluit van 16 oktober 2002 in dit geding ter discussie staat, kan niet worden gevolgd. Appellant heeft tegen laatstgenoemd besluit geen rechtsmiddelen aangewend. Dit besluit staat dan ook in rechte vast. Aan appellants grief dat hij ten onrechte € 400,- heeft terugbetaald omdat hij de terugvordering niet terecht acht, gaat de Raad dan ook voorbij.

Voorts merkt de Raad op dat ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de bestuursrechter bevoegd is tot het geven van een oordeel over een besluit. Met besluit is bedoeld een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Een (derden)beslag is geen besluit in voornoemde zin. De bevoegdheid om te oordelen over een (derden)beslag berust bij de burgerlijke rechter. Appellant kan bij de bestuursrechter dan ook geen oordeel over het beslag op zijn WW-uitkering verkrijgen.

Wat betreft de aan appellant in rekening gebrachte invorderingskosten stelt de Raad met de rechtbank vast dat appellant niet aan de terugbetalingsregeling heeft voldaan. Op

10 februari 2004 was, mede gelet op artikel 9 van de Regeling inzake betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigd betaalde uitkeringen, Regeling van 6 juni 1996, Stcrt. 141 (hierna: de Regeling), die anders dan appellant stelt, wel op de onderhavige terugvordering van toepassing is, de nog uitstaande vordering van € 1.336,37 geheel opeisbaar. Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Regeling bedragen de invorderingskosten 15% van de resterende vordering. De invorderingskosten zijn juist vastgesteld op € 200,45 en de terugvordering is terecht met deze invorderingskosten verhoogd.

Gelet hierop slaagt het hoger beroep niet en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en M.C . Bruning en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2007.

(get.) M.S.E Wulffraat-van Dijk.

(get.)P. van der Wal.

JL