Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1479

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2007
Datum publicatie
26-03-2007
Zaaknummer
04-6666 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6666 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 27 oktober 2004, 03/2999

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.F.J.L. Homan, advocaat te Mijdrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2007, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Homan. Tevens is, zoals van tevoren aangekondigd, door appellant als deskundige meegenomen, J. Lok, medisch adviseur RGA. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was werkzaam als voorman op een kunststofafdeling toen hij op 7 maart 1997 uitviel met rugklachten. Met ingang van 15 februari 1998 is appellant in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met ingang van

1 februari 2000 is de aan appellant toegekende WAO-uitkering herzien en wordt deze berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

Appellant is in december 2002 onderzocht door T. Noll, arts. Tijdens dit onderzoek heeft appellant aangegeven dat zijn rugklachten zijn toegenomen en dat hij hierdoor niet kan werken. Noll heeft op grond van dossierstudie alsmede op basis van eigen onderzoek geconcludeerd dat appellant duurzame benutbare mogelijkheden voor arbeid heeft. In de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) heeft hij een aantal beperkingen opgenomen met name in de rubrieken IV en V met de opschriften “Dynamische handelingen” en “Statische houdingen”.

Aan de hand van deze FML heeft de arbeidsdeskundige F.R. Beck een drietal functies geselecteerd waarmee een zodanig inkomen verdiend kan worden dat sprake is van een verlies aan verdiencapaciteit van 59,2%. Bij besluit van 24 juni 2003 is dienovereenkomstig met ingang van 23 juli 2003 de WAO-uitkering van appellant herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

In bezwaar heeft appellant aangegeven dat hij vanwege een dubbele hernia moeilijk kan lopen en dat hij ook vanwege zijn astma nauwelijks in staat is om in en om het huis enige klusjes te doen.

Bezwaarverzekeringsarts O.J. van Kempen heeft A.J.J. Marissen, orthopedisch chirurg, verzocht om een expertise. Op 6 oktober 2003 heeft Marissen appellant onderzocht. Zijn bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 8 oktober 2003 waarin uiteen is gezet welke afwijkingen bij appellant zijn geconstateerd. In zijn conclusie heeft Marissen aangegeven dat appellant orthopedisch gezien niet geschikt is voor matig tot zwaar rugbelastende arbeid.

In haar rapport van 3 november 2003 heeft bezwaarverzekeringsarts O.J. van Kempen geconstateerd dat, met inachtneming van de expertise, de primaire arts Noll in voldoende mate rekening heeft gehouden met de beperkingen van appellant in de FML. Ook met betrekking tot de astma waaraan appellant lijdt, zijn in de FML beperkingen opgenomen. Bij het bestreden besluit van 3 november 2003 zijn de bezwaren ongegrond verklaard.

In beroep heeft appellant herhaald dat in onvoldoende mate rekening is gehouden met zijn beperkingen. De door de arbeidsdeskundige geduide functies kan hij gelet op zijn forse beperkingen niet verrichten. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft hij een rapport van J. Lok, medisch adviseur RGA, ingebracht. In dit rapport geeft Lok aan dat de bezwaarverzekeringsarts zich te weinig rekenschap heeft gegeven van de onderzoeksbevindingen van de ingeschakelde orthopedisch chirurg Marissen. Lok heeft gemotiveerd uiteengezet dat gelet op de expertise, de bezwaarverzekeringsarts tot zwaardere beperkingen in de FML had moeten komen dan door Noll in eerste instantie is aangenomen.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft zich met de conclusies van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts kunnen verenigen. Daarbij is overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest.

De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant op de hoorzitting gezien waarna is besloten om een deskundige in te schakelen. De door deze deskundige geconstateerde bevindingen heeft de bezwaarverzekeringsarts meegenomen in haar conclusie. Voorts heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met de voor appellant geselecteerde functies en met de op basis van de daaraan ontleende resterende verdiencapaciteit berekende mate van arbeidsongeschiktheid.

In hoger beroep zijn namens appellant de standpunten herhaald. Daarbij heeft, zoals ook in eerste aanleg is aangevoerd, Lok wederom betoogd dat bezwaarverzekeringsarts

Van Kempen in onvoldoende mate de onderzoeksgegevens van de deskundige Marissen heeft vertaald naar de beperkingen in de FML. Als voorbeeld heeft Lok gegeven dat de bezwaarverzekeringsarts op grond van het rapport van Marissen ten aanzien van de items 10 “buigen”, 11 “frequent buigen tijdens het werk”, 15 “frequent lichte voorwerpen hanteren tijdens het werk”, 16 “frequent zware lasten hanteren tijdens het werk” en 22 “knielen of hurken” in rubriek IV “Dynamische handelingen” tot het aannemen van beperkingen had moeten komen.

Allereerst dient de Raad de medische grondslag van het bestreden besluit te beoordelen.

De Raad is op grond van de in het dossier aanwezige medische gegevens alsmede op basis van hetgeen namens appellant is aangevoerd, niet tot de overtuiging gekomen dat het Uwv tot een juiste beoordeling met betrekking tot de beperkingen en mogelijkheden tot het verrichten van arbeid van appellant is gekomen. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is namens appellant, met name in hetgeen in geschrift en ter zitting van de Raad door Lok is aangevoerd, gemotiveerd naar voren gebracht via een vergelijking van de FML, onderzoeksbevindingen van deskundige Marissen en het rapport van bezwaarverzekeringsarts Van Kempen, dat de belastbaarheid van appellant ten aanzien van een aantal items in Rubriek IV “Dynamische handelen” is overschat. Naar het oordeel van de Raad is van de kant van het Uwv onvoldoende inhoudelijk gemotiveerd waarom de thans in de FML vastgestelde belastbaarheid een juiste is. Namens het Uwv is slechts aangegeven dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geschied doordat een expertise is uitgevoerd en doordat de onderzoeksbevindingen daarvan door de bezwaarverzekeringsarts in haar herbeoordeling zijn meegenomen.

Ook overigens heeft de Raad in de gedingstukken noch ter zitting een afdoende verklaring kunnen vinden voor het feit waarom ten aanzien van item 5 “geknield of gehurkt actief zijn” in rubriek V “Statische houdingen”, wel een beperking is aangenomen en ten aanzien van item 22 “knielen of hurken” in rubriek IV “Dynamische handelingen” niet. Wat betreft het voorgaande wijst de Raad naar het onderzoek van Marissen waarbij deze bij “onderzoek in gang” heeft geconstateerd dat “teengang, hakgang en hurkzit zeer moeizaam worden uitgevoerd”. Voorts concludeert hij in zijn “Samenvatting” dat er sprake is van een “slechte algemene bewegingsconditie”. Zonder nadere inhoudelijke motivering van de zijde van het Uwv is de Raad er niet van overtuigd dat ten aanzien van item 22 voor appellant de normaalwaarde kan worden aangenomen. Evenmin staat voor de Raad dientengevolge vast of de geselecteerde functies van Productiemedewerker confectie, kleermaken, Sbc Code: 272042 en Productiemedewerker Textiel, geen kleding, Sbc Code: 272043 voor appellant geschikt zijn. Uit de “Resultaat Eindselectie” blijkt dat in deze twee functies een belasting aanwezig is ten aanzien van het knielen of hurken.

Al met al is de Raad van oordeel dat bij gebreke van een afdoende motivering door het Uwv, het besluit berust op een ontoereikende medische grondslag. Het voorgaande brengt met zich mee dat het besluit eveneens een voldoende arbeidskundige grondslag ontbeert, nu in het licht van het vorenoverwogen niet is komen vast te staan dat appellant de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies qua aard en belasting kan verrichten. Wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het bestreden besluit derhalve niet in stand blijven.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven. Het Uwv zal worden opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en eveneens € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

Met betrekking tot de vordering tot vergoeding van de kosten van de rapporten van Lok is de Raad van oordeel dat deze vordering gelet op artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), voor toewijzing in aanmerking komt. Gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder b, van het Bpb komt appellant bij een bestede tijd van 7,75 uur in verband met het opmaken van de rapportages alsmede 4 uur voor het bijwonen van de zitting van de Raad een forfaitaire vergoeding toe van € 1.164,54. Dit is gebaseerd op het voor een dergelijk rapport in artikel 1, eerste lid, onder IV, van toepassing verklaarde Besluit tarieven in strafzaken vastgestelde uurtarief van € 99,11.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 2.452,54 te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 133,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en

A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

BKH 080307