Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1475

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-03-2007
Datum publicatie
26-03-2007
Zaaknummer
05-6202 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het ligt voor de hand dat betrokkene in datum van geding ernstiger beperkt was. Het bestreden besluit berust, voor zover het de medische onderbouwing betreft, op onvoldoende motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6202 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank de rechtbank Amsterdam van 9 september 2005, 05/1388 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Wolter, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij faxbericht van 8 februari 2007 heeft het Uwv nog een aantal nadere stukken aan de Raad en aan de gemachtigde van appellante gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2007. Namens appellante is mr. Wolter verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door A. Anandbahadour.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat bij haar beoordeling uit van onder meer de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante is via uitzendbureaus werkzaam geweest als bloemstekster. Zij is op 24 april 2003 met klachten van het bewegingsapparaat en psychische klachten uitgevallen, nadat zij van een trap was gevallen.

Op 29 januari 2004 is zij op het spreekuur onderzocht door de verzekeringsarts N. Blokland. Zij stelt als diagnose dat bij appellante sprake is van een aanpassingsstoornis met angst en van een depressieve stemming in remissie.

De verzekeringsarts meent dat appellante licht beperkt is voor psychisch belastende factoren en formuleert lichte beperkingen die samenhangen met de klachten van het bewegingsapparaat. Zij legt de beperkingen vast in een zogenoemde functionele mogelijkhedenlijst (FML). Daarnaast vraagt zij nadere informatie op bij de huisarts van appellante.

Blijkens haar rapport heeft de arbeidsdeskundige K. Opdam op 23 februari 2004 met appellante gesproken. De arbeidsdeskundige noteert dat bij appellante de lijdensdruk sterk aanwezig is, dat zij niet of nauwelijks in het gesprek geïnteresseerd lijkt en miniem reageert als haar wat gevraagd wordt. De arbeidsdeskundige selecteert enkele functies die appellante naar haar mening met haar beperkingen nog kan verrichten, en die leiden tot een verlies aan verdiencapaciteit van ongeveer 32%. De drie functies met de hoogste loonwaarde zijn productiemedewerker industrie (SBC code 111180), lederbewerker (SBC code 272070) en productiemedewerker textiel, geen kleding (SBC code 272043).

Bij het primaire besluit van 14 april 2004 heeft het Uwv aan appellante, aansluitend aan de wettelijke wachttijd van 52 weken, per 22 april 2004 een uitkering op grond van de wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% en gebaseerd op een dagloon van € 35,73.

Namens appellante is tegen dit besluit bezwaar gemaakt en is de medische beoordeling en de hoogte van het dagloon bestreden.

In aanwezigheid van de bezwaarverzekeringsarts A. Wever is appellante op 23 juli 2004 terzake van haar bezwaren gehoord. De bezwaarverzekeringsarts heeft blijkens haar rapport van 7 oktober 2004 geen aanleiding gezien appellante zelf te onderzoeken of te laten onderzoeken door een deskundige. Bij haar beoordeling heeft zij de informatie betrokken van de huisarts van appellante, B.M. Vinkenoog en van P.P. van der Does, AGIO psychiatrie, verbonden aan Mentrum geestelijke gezondheidszorg Amsterdam.

De genoemde huisarts schrijft op 17 maart 2004 onder meer:

“Patiënte is onder behandeling bij Mentrum met een ernstige vitale depressie die niet op medicatie reageert tot nu toe. Zij zakt steeds verder weg en is ADL-afhankelijk geworden. (…) Het moet duidelijk zijn dat zij volledig arbeidsongeschikt is. (…)”

En op 10 augustus 2004:

“(…) Het meest waarschijnlijke is echter, dat de diagnose van Mentrum volstaat en dat de situatie van volledige inertie en hulpbehoevendheid die is ontstaan, samenhangt met de depressieve stoornis en haar karakterstructuur. (…)”

Van der Does schrijft op 11 augustus 2004 dat appellante lijdt aan een ernstige depressie waarvoor zij wordt behandeld met een tricyclisch antidepressivum, dat sprake is van een trage maar geleidelijke verbetering van de symtomatologie, en dat niets bekend is van eventuele ADL-afhankelijkheid.

De bezwaarverzekeringsarts concludeert dat appellante een depressie heeft die traag maar geleidelijk verbetert en dat er geen aanleiding is om in verband daarmee meer beperkingen op te nemen in de FML dan al is gebeurd.

De bezwaararbeidsdeskundige P.J.G.A. Pols Paardekoper concludeert blijkens zijn rapport van 26 november 2004 dat appellante in staat moet zijn om de eerder voor haar geselecteerde functies te verrichten en komt tot de slotsom dat haar mate van arbeidsongeschiktheid terecht op 25 tot 35% is gesteld.

Bij het besluit van 3 december 2004 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellante ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

De rechtbank kan zich verenigen met de door het Uwv voor appellante vastgestelde beperkingen en onderschrijft dat appellante met haar beperkingen de voor haar geselecteerde functies kan verrichten. Onder verwijzing naar het genoemde rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Pols Paardekoper meent de rechtbank dat het gegeven dat appellante de Nederlandse taal beperkt beheerst, niet met zich brengt dat zij de geselecteerde functies niet kan verrichten. Naar het oordeel van de rechtbank is voorts het dagloon van appellante op juiste gronden op grond van het bepaalde in artikel 14, eerste lid, sub b van de Dagloonregelen WAO evenredig verlaagd, omdat appellante in het zogenoemde refertejaar uit eigen verkiezing afwisselend wel en niet werkzaam was.

In hoger beroep zijn namens appellante in hoofdzaak de eerder in bezwaar en beroep aangevoerde gronden herhaald.

De Raad oordeelt als volgt.

Het Uwv heeft daags voor de zitting per faxbericht nog nadere stukken ingezonden, namelijk een rapportage d.d. 7 februari 2007 van de bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek met bijlagen en een rapportage d.d. 8 februari 2007 met bijlagen van de bezwaararbeidsdeskundige P. Thoen. In deze rapportages wordt onder meer een nader commentaar gegeven op de (beperkende) toelichtingen die in de FML zijn opgenomen, op de mogelijke overschrijdingen van de belasting van de geduide functies en op de belasting van de functies in relatie tot de belastbaarheid van appellante waar het betreft de zogenoemde niet-matchende aspecten.

Van de zijde van appellante bestaat geen bezwaar deze stukken bij de beoordeling te betrekken. Gelet hierop en om proceseconomische redenen, zal de Raad mede met inachtneming van deze stukken uitspraak doen.

De Raad stelt vast dat van de zijde van appellante in hoger beroep geen inhoudelijke gronden zijn aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank dat het dagloon van appellante door het Uwv juist is vastgesteld, zodat het hoger beroep in zoverre niet kan slagen.

Ten aanzien van de vraag of het Uwv de medische beperkingen van appellante op 22 april 2004, de datum waarop haar WAO-uitkering is herzien, juist heeft vastgesteld, overweegt de Raad het volgende.

Op 17 maart 2004 rapporteert de huisarts dat appellante onder behandeling is met een ernstige vitale depressie. Er is niet gebleken dat deze informatie door de verzekeringsarts N. Blokland, die op 29 januari 2004 rapporteert en een FML opstelt, bij haar beoordeling is betrokken, hoewel zij om die informatie bij de huisarts heeft gevraagd. Mevrouw Blokland noteert wel in haar rapport dat sprake is van een depressieve stemming in remissie, wat naar het oordeel van de Raad een aanzienlijk beperktere kwalificatie is dan die van de huisarts. Hetgeen de arbeidsdeskundige K. Opdam in haar rapport van 16 februari 2004 als observatie noteert biedt naar het oordeel van de Raad geen directe steun voor de kwalificatie van mevrouw Blokland.

Blijkens haar rapport van 7 oktober 2004 heeft de bezwaarverzekeringsarts Wever de informatie wel medebeoordeeld, maar zij heeft deze mede geplaatst in het perspectief van recentere informatie van de genoemde huisarts en van Van der Does voornoemd. Daaruit komt naar voren dat sprake is van een trage maar geleidelijke verbetering van de symptomen. In haar beschouwing noteert mevrouw Wever dat de depressie traag maar geleidelijk verbetert, en dat er alles wel beschouwd geen noodzaak is om meer beperkingen op te nemen.

De Raad stelt vast dat voor appellante beperkingen zijn geformuleerd met het oog op haar psychische klachten. Zo is appellante bijvoorbeeld voor de aspecten “veelvuldige deadlines”, “leidinggeven” en “verantwoordelijkheid” beperkt geacht. De Raad kan zich voorstellen dat deze beperkingen in voldoende mate tegemoet komen aan de beperkte mogelijkheden die appellante heeft in een situatie waarin haar depressie langzaam aan het verbeteren is. De Raad is er echter niet van overtuigd geraakt dat appellante, in het licht van de op 17 maart 2004 door de huisarts gebruikte kwalificatie “ernstige vitale depressie”, ook op de datum in geding in deze mate beperkt was. Veeleer ligt het naar het oordeel van de Raad voor de hand dat appellante op dat moment ernstiger beperkt was.

Gelet hierop komt de Raad tot de conclusie dat het bestreden besluit voor zover het de medische onderbouwing daarvan betreft, berust op een onvoldoende motivering, en derhalve in strijd is met het bepaalde in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Dat betekent dat het hoger beroep slaagt, voor zover dat is gericht tegen de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid per 22 april 2004.

De Raad acht termen aanwezig om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. De Raad begroot deze kosten op € 644,-- aan kosten van rechtsbijstand in beroep en op € 644,-- aan kosten van rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidende beroep tegen het besluit van 3 december 2004 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter, en J.W. Schuttel en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

BKH 080307