Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1461

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-03-2007
Datum publicatie
26-03-2007
Zaaknummer
06-1001 WWB + 06-1002 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening, intrekking en terugvordering bijstand. Inkomen uit arbeid. Toetsing van en aan beleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 182
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1001 WWB

06/1002 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], appellant, en [appellante], appellante, beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 9 januari 2006, 05/854 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo (hierna: College)

Datum uitspraak: 20 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.H.M. Verstraten, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Verstraten. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F.M. Brouns, werkzaam bij de gemeente Venlo.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellanten ontvingen in de periode van 1 juli 1999 tot 23 oktober 2002 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).

Appellant heeft aan het College opgegeven dat hij in de periode van maart 2002 tot en met september 2002 werkzaam is geweest in de agrarische sector via [naam uitzendbureau] uitzendbureau BV (hierna: [naam uitzendbureau]). De inkomsten uit die werkzaamheden, zoals deze bleken uit de door appellant overgelegde loonstroken, zijn op de uitkering in mindering gebracht.

Naar aanleiding van het resultaat van een grootschalig onderzoek door het UWV en de Belastingdienst naar zwarte verloning van agrarische werkzaamheden in de desbetreffende regio, heeft de sociale recherche van de gemeente Venlo onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. Daarbij is gebruik gemaakt van de processen-verbaal die zijn opgemaakt in het kader van het onderzoek van evengenoemde instanties. Voorts zijn appellanten verhoord. Op basis van het resultaat van dat onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 17 november 2004, heeft het College geconcludeerd dat appellant in de periode van december 2001 tot en met februari 2002 inkomsten uit arbeid heeft ontvangen die hij niet aan het College heeft opgegeven, en dat hij over de periode maart 2002 tot en met september 2002 meer inkomsten uit werkzaamheden heeft ontvangen dan hij aan het College heeft opgegeven.

Bij besluit van 23 december 2004 heeft het College de bijstand van appellanten over de maanden december 2001 en september 2002 herzien, de bijstand over de maanden januari 2002 tot en met augustus 2002 ingetrokken, en de over de gehele periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 10.686,76 van appellanten teruggevorderd.

Bij besluit van 3 mei 2005 heeft het College het door appellant tegen het besluit van 23 december 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan dat besluit heeft het College ten grondslag gelegd dat appellanten aan het College geen dan wel onjuiste inlichtingen hebben verstrekt over door appellant ontvangen inkomsten uit arbeid, welke inkomsten over de maanden januari 2002 tot en met augustus 2002 volgens het College hoger waren dan de voor appellanten geldende bijstandsnorm.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het besluit van 3 mei 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Uit de gedingstukken blijkt dat appellante geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van het College van 23 december 2004 en evenmin beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 3 mei 2005. Gelet op artikel 6:13, in verbinding met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dient het hoger beroep van appellante dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.

In de zaak van appellant ziet de Raad aanleiding om met betrekking tot de intrekking en de herziening te onderscheiden in de periodes vóór 1 maart 2002 en na 28 februari 2002.

De periode na 28 februari 2002

In artikel 47, eerste lid, van de Abw is omschreven wat onder inkomen moet worden verstaan. Het betreft onder meer inkomsten uit of in verband met arbeid. Naar vaste rechtspraak van de Raad moet voor de toepassing van de Abw bij de vaststelling van inkomsten uit arbeid in beginsel worden uitgegaan van de feitelijk verrichte werkzaamheden en de inkomsten die daarmee daadwerkelijk worden verworven. Voor het in aanmerking nemen van een fictief inkomen is onder meer ruimte indien door schending van de inlichtingenverplichting de hoogte van het inkomen niet kan worden vastgesteld.

De Raad is van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag vormen voor het standpunt van het College dat aan appellant over deze periode inkomsten moeten worden toegerekend boven de voor hem geldende bijstandsnorm en dat hij in september 2002 weliswaar minder inkomsten heeft ontvangen dan de bijstandsnorm, maar meer inkomsten dan hij over die maand aan het College heeft opgegeven. Evenals het College en de rechtbank neemt de Raad daarbij in de eerste plaats in aanmerking hetgeen [naam directeur] (directeur van maatschap [naam maatschap]) als opdrachtgever van [naam uitzendbureau] over de aard en de omvang van de werkzaamheden van appellant tegenover de opsporingsambtenaren van het UWV en de Belastingdienst heeft verklaard. Uit die verklaring komt naar voren dat in 2002 vrijwel uitsluitend appellant voor die maatschap heeft gewerkt. Het gaat hier om een specifieke, gedetailleerde verklaring. Appellant heeft aangevoerd dat [naam maatschap], als getuige door de rechter-commissaris gehoord in de strafzaak, op deze verklaring is teruggekomen. De Raad volgt appellant daarin niet. [directeur maatschap] heeft zijn verklaring weliswaar bijgesteld in die zin dat - naar zijn herinnering - appellant vanaf week 11 of week 12 in 2002 voor hem heeft gewerkt en dat anderen appellant dan wel hielpen, onder meer omdat appellant het werk niet alleen aankon, maar [directeur maatschap] heeft geen afdoend antwoord kunnen geven op de vraag wanneer nu precies en in welke omvang door anderen vanaf maart 2002 voor hem is gewerkt. Ook in de bijgestelde verklaring komt naar het oordeel van de Raad voldoende naar voren dat het vooral appellant was die toen voor het bedrijf van [directeur maatschap] werkte.

Bij de berekening van de inkomsten van appellant heeft het College de facturen van [naam uitzendbureau] aan [directeur maatschap] tot uitgangspunt genomen, en vervolgens een bedrag van f 0,02 per plantje aan appellant toegerekend. De Raad heeft in de gedingstukken geen aanleiding gevonden (de uitkomst van) die berekening voor onjuist te houden.

De in beroep overgelegde urenstaten betreffende het door appellant bij [directeur maatschap] verrichte werk brengen de Raad niet tot een ander oordeel. [directeur maatschap] heeft verklaard dat hij niet werkte met urenstaten. De directeur van [naam uitzendbureau] heeft verklaard dat in een situatie waarin op stuksprijs met een agrarisch bedrijf werd afgerekend, geen urenstaten werden bijgehouden. Dat komt voorts overeen met datgene wat de (externe) administrateur van [naam uitzendbureau] hierover heeft verklaard, namelijk dat er geen manurenstaten waren als er op basis van verwerkte plantjes werd gefactureerd aan de opdrachtgevers. De onderhavige urenstaten zijn dus kennelijk achteraf opgemaakt. Gelet op het voorgaande kunnen deze niet als voldoende betrouwbaar worden aangemerkt. Aan deze staten komt derhalve niet de betekenis toe die appellant daaraan gehecht wil zien.

Uit het voorgaande volgt dat appellant de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, en dat als gevolg daarvan aan hem over het zojuist besproken tijdvak ten onrechte respectievelijk teveel bijstand is verleend. De Raad merkt op dat, als ervan zou worden uitgegaan dat appellant pas in de tweede week van maart 2002 bij [directeur maatschap] is gaan werken, ook dan gesproken moet worden van aan appellant toe te rekenen inkomsten boven de voor appellant en zijn echtgenote geldende bijstandsnorm.

Hieruit vloeit voort dat het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was om de bijstand van appellant over de periode van 1 maart 2002 tot en met 31 augustus 2002 in te trekken, en de bijstand over de maand september 2002 te herzien op de wijze zoals het College heeft gedaan. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten van die bevoegdheid gebruik te maken.

De periode vóór 1 maart 2002

Met betrekking tot de periode van 1 december 2001 tot 1 maart 2002 komt de Raad tot een ander oordeel. Daartoe wordt in de eerste plaats overwogen dat in de oorspronkelijke verklaring van [directeur maatschap] niet meer kan worden gelezen dan dat appellant pas in 2002 voor het bedrijf van [directeur maatschap] is gaan werken. Voor een herziening van de bijstand over de maand december 2001 is ook overigens in de gedingstukken geen toereikende grondslag te vinden. Voor de beantwoording van de vraag of appellant in de maanden januari en februari van 2002 inkomsten heeft genoten is het volgende van belang. Over deze maanden heeft appellant geen loonstrook van [naam uitzendbureau] ontvangen. De eerste loonstrook ziet op de maand maart 2002. Voorts heeft appellant in de maanden januari en februari van 2002 een cursus gevolgd bij het CBB te Venlo. Aan de hand van het door de school verstrekte overzicht kan worden vastgesteld dat, hoewel bij appellant gedurende die twee maanden sprake is geweest van verzuimuren, hij ook gedurende een substantieel aantal uren (meermaals meer dan 20 uren per week) aan de cursus heeft deelgenomen. Daarnaast neemt de Raad in aanmerking de door [directeur maatschap] aanvankelijk tegenover de opsporingsambtenaren afgelegde verklaring en de later bij de rechter-commissaris door hem afgelegde verklaring, die - in onderling verband bezien - niet in tegenspraak zijn met de stelling van appellant dat hij niet eerder dan in maart 2002 is gestart met zijn werkzaamheden voor [directeur maatschap] en dat er voor die tijd anderen voor [directeur maatschap] werkzaam zijn geweest. Bovendien vindt die stelling van appellant steun in de tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaringen van de als getuigen gehoorde [getuige 1] en [getuige 2].

Het besluit van 3 mei 2005 berust in zoverre niet op een deugdelijke feitelijke grondslag. Nu de rechtbank dit niet heeft onderkend, komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellant gegrond verklaren en het besluit van 3 mei 2005 voor zover het betreft de periode van 1 december 2001 tot 1 maart 2002 vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De Raad ziet tevens aanleiding om, met gebruikmaking van de in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid, het besluit van 23 december 2004 te herroepen, ook voor zover het betreft de zojuist genoemde periode, nu dit besluit in zoverre eveneens berust op dezelfde ondeugdelijk gebleken grondslag.

Uit hetgeen de Raad hiervoor over de herziening en de intrekking van de bijstand over de periode van 1 december 2001 tot 1 maart 2002 heeft overwogen volgt, dat aan de terugvordering de grondslag is komen te ontvallen. Daarbij merkt de Raad op dat een terugvorderingsbesluit als één geheel moet worden beschouwd, nu dit uitmondt in één - daarin te vermelden - bedrag aan teruggevorderde bijstand. Dit klemt temeer nu een dergelijk besluit een executoriale titel oplevert.

De Raad zal het College opdragen met betrekking tot de terugvordering een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Met het oog daarop overweegt de Raad, mede ten behoeve van een definitieve afronding van het geschil tussen partijen, het volgende. Het College mag ervan uitgaan dat over de periode van 1 maart 2002 tot en met 30 september 2002 is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het College bevoegd is om tot terugvordering van de over die periode gemaakte kosten van bijstand over te gaan. Het College voert het beleid dat in de gevallen, bedoeld in artikel 58 van de WWB, in beginsel wordt teruggevorderd, en dat van terugvordering kan worden afgezien indien het terug te vorderen bedrag lager is dan een door of namens het College nader vast te stellen bedrag, dan wel indien hiertoe een dringende reden aanwezig is. Naar het oordeel van de Raad gaat dit beleid, althans voor zover het betreft de terugvordering van bijstand die het gevolg is van een herzienings- of intrekkingsbesluit op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB, de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. In hetgeen appellant tot op heden heeft aangevoerd, ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat in dit geval niet overeenkomstig dit beleid ten volle van de bevoegdheid tot terugvordering gebruik kan worden gemaakt.

De Raad ziet ten slotte aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze worden begroot op € 644,-- wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

In de zaak van appellante:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

In de zaak van appellant:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 3 mei 2005 voor zover het betreft de herziening en de intrekking over de periode van 1 december 2001 tot 1 maart 2002 en de terugvordering;

Herroept het besluit van 23 december 2004 voor zover het betreft de herziening en de intrekking over de periode van 1 december 2001 tot 1 maart 2002;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellant tegen de terugvordering, met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente Venlo;

Bepaalt dat de gemeente Venlo het door appellant betaalde griffierecht van € 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter, en R.H.M. Roelofs en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2007.

(get.) C. van Viegen.

(get.) A.C. Palmboom.

GG050307