Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1459

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-03-2007
Datum publicatie
26-03-2007
Zaaknummer
06-1508 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking van de ontheffing van de arbeidsverplichtingen. Geen dringende redenen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 146
USZ 2007/135
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1508 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 januari 2006, 05/8448 en 05/8464 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 20 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.J. Jacobs, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Jacobs. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Darwish-Willeboordse, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving een bijstandsuitkering laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

Bij besluit van 30 januari 2003 was appellant ontheffing verleend van zijn verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 107, tweede lid, van de Algemene bijstandswet (Abw), omdat appellant verantwoordelijk was voor de verzorging van een kind dat op dat moment jonger was dan vijf jaar.

Naar aanleiding van een bij het College binnengekomen signaal dat appellant een voltijdse studie volgt heeft in juni 2003 en in januari 2004 een onderzoek plaatsgevonden. Hieruit is het College gebleken dat appellant vanaf 1999 een voltijdse studie geneeskunde volgt. Nu appellant de zorg had voor een kind dat jonger was dan vijf jaar heeft het College de ontheffing van de verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling gehandhaafd.

Bij besluit van 17 november 2004 is de uitkering vastgesteld naar de norm voor een alleenstaande omdat appellant niet langer de zorg had voor een of meer kinderen jonger dan 18 jaar.

Vervolgens heeft het College een medisch advies gevraagd aan de GGD Den Haag (GGD) omtrent de arbeidsmogelijkheden van appellant. Naar aanleiding van de resultaten van dit onderzoek, zoals neergelegd in het advies van 25 oktober 2004 (lees: 10 december 2004) is appellant bij besluit van 26 mei 2005 meegedeeld dat de op hem van toepassing zijnde ontheffing van de verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling, zoals bedoeld in artikel 9 van de WWB, is opgeheven.

Bij besluit van 27 oktober 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 26 mei 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, voor zover van belang, het beroep tegen het besluit van 27 oktober 2005 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, voorzover van belang, is de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, verplicht naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden, waaronder begrepen registratie als werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen. Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de WWB, voorzover van belang, kan het College, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van een verplichting als bedoeld in het eerste lid.

Het College heeft zich bij de intrekking van de ontheffing van de arbeidsverplichtingen gebaseerd op het eerdergenoemde medisch advies. Op grond van dat advies wordt appellant, met inachtneming van de hierin aangegeven beperkingen dat er bij de bemiddeling richting werk en/of loonvormende arbeid rekening moet worden gehouden met psychotherapeutische en medicinale ondersteuning, geschikt geacht voor arbeid. Naar het oordeel van het College zou appellant, met dezelfde ondersteuning, ook een traject richting werk en/of loonvormende arbeid kunnen volgen.

Appellant kan zich hiermee niet verenigen en baseert zich op het oordeel van zijn behandelend psychiater, inhoudende dat appellant niet in staat kan worden geacht reguliere werkzaamheden te verrichten. Gelet op zijn psychische klachten moet appellant in staat worden gesteld zijn studie te blijven volgen.

De Raad is van oordeel dat het College zijn besluitvorming op het advies van de GGD heeft mogen baseren. Niet is gebleken dat dit advies wat de wijze van totstandkoming of wat de inhoud ervan betreft niet deugdelijk zou zijn. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat het advies na raadpleging van de behandelend psychiater tot stand is gekomen. Uit het GGD-advies blijkt dat er geen verschil van mening is met de behandelend psychiater over het ziektebeeld van appellant, noch over het feit dat hij bij zijn activiteiten therapeutische en medicinale ondersteuning nodig heeft, zodat dat geen aanleiding is voor doen het instellen van een nader medisch onderzoek.

Bezien in het licht van de toepassing van artikel 9 van de WWB dat - anders dan het voorheen geldende artikel 107 van de Awb, op grond waarvan onder meer om medische redenen ontheffing van de arbeidsverplichtingen kon worden verleend - het College nog slechts in geval van dringende redenen de bevoegdheid geeft tot het verlenen van ontheffing, moet naar het oordeel van de Raad worden geconcludeerd dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van dergelijke dringende redenen niet is gebleken. Dit betekent dat het College niet bevoegd was de intrekking van de ontheffing achterwege te laten.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2007.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.

GG130307