Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1458

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-03-2007
Datum publicatie
26-03-2007
Zaaknummer
06-1172 WVG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan besluit klevende onrechtmatigheid. Verzoek om vergoeding van de op het bezwaar drukkende proceskosten zijn ten onrechte afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2007/185
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1172 WVG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 december 2005, 05/797 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

[betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 21 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.A. de Jonge, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.F.M. Kaay, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A. de Jonge.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende zijnde feiten en omstandigheden.

Betrokkene heeft op 7 april 2004 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) woonvoorzieningen aangevraagd. De aanvraag

betreft aanpassingen van de badkamer en het trottoir en een traplift.

Appellant heeft bij besluit van 5 augustus 2004 afwijzend op de aanvraag beslist op de grond dat de kosten van de aangevraagde voorzieningen hoger zijn dan € 8.100,-- en dat in die situatie ver-huizen de goedkoopste adequate oplossing is.

Betrokkene heeft tegen het besluit van 5 augustus 2004 bezwaar gemaakt.

Appellant heeft het Regionaal indicatieorgaan Tot en Met naar aanleiding van de inhoud van het bezwaarschrift en het verhandelde tijdens de hoorzitting verzocht een nader

onderzoek in te stellen naar de aanwezigheid van mantelzorg in de directe woonomgeving en de binding van betrokkene met de buurt waarin zij woont. Tot en Met heeft bij brief van 10 december 2004 over de bevindingen van het onderzoek gerapporteerd.

Vervolgens heeft appellant het besluit van 5 augustus 2004 bij besluit van 14 december 2004 inge-trokken en opnieuw op de aanvraag beslist in die zin dat de

gevraagde voorzieningen alsnog worden toegekend.

Appellant heeft het bezwaar tegen het besluit van 5 augustus 2004 bij besluit van

17 januari 2005 ongegrond verklaard op de grond dat betrokkene geen procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke beslissing op het bezwaarschrift. Het verzoek om vergoeding van proceskosten is in dat besluit afgewezen.

Betrokkene is tegen dat besluit in beroep gegaan voor zover daarbij is geweigerd om de proceskos-ten te vergoeden.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

17 januari 2005 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in bezwaar en beroep.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voorzo-ver hij daarin is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. Appellant stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het besluit van

5 augustus 2004 is ingetrokken wegens gebleken onrechtmatigheid. Appellant is van

mening dat dit besluit op een zorgvuldig onderzoek berust en dat betrokkene eerst in

bezwaar omstandigheden heeft aangevoerd die appellant tot een ander inzicht hebben

gebracht. Het is aan betrokkene toe te schrijven dat zij deze omstandigheden niet eerder naar voren heeft gebracht.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Reeds in zijn uitspraak van 13 juni 2005, LJN AT7365 heeft de Raad overwogen dat het naar aan-leiding van een daartegen gemaakt bezwaar geheel of gedeeltelijk intrekken van een primair be-sluit wegens gebreken onrechtmatigheid voor de toepassing van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb op een lijn moet worden gesteld met het - met toepassing van artikel 7:11 van de Awb - ge-heel of gedeeltelijke herroepen van een primair besluit wegens gebleken onrechtmatigheid.

De Raad stelt vast dat appellant tot intrekking van het afwijzende besluit van 5 augustus 2004 is overgegaan op basis van het door Tot en Met in de bezwaarfase verrichte (her)onderzoek. De Raad stelt voorts vast dat - gelet op het uit de in de gemeente Amsterdam van toepassing zijnde regelge-ving blijkende beleid - de vraag of de betrokkene is aangewezen op buurtgebonden mantelzorg, en de vraag of bij een verhuizing een aanmerkelijke verschraling in het leven van betrokkene zal op-treden door het verlies van sociale infrastructuur, reeds bij de beoordeling van de aanvraag van be-trokkene voor appellant voorwerp van onderzoek geweest had moeten zijn. Uit de verslaglegging van het onderzoek in de primaire fase blijkt echter niet dat het onderzoek daarop in voldoende ma-te gericht is geweest welk tekort eerst in de bezwaarfase is hersteld.

Weliswaar blijkt uit het advies van Tot en Met van 3 mei 2004 dat de mantelzorg in het gesprek met de indicatieadviseur aan de orde is gesteld, evenals - zij het naar nadien is komen vast te staan niet adequaat beschreven - de aanwezigheid van mantelzorg, maar uit dat advies blijkt niet dat ook de andere blijkens het uit de regelgeving blijkende beleid van belang zijnde feiten en omstandig-heden aan de orde zijn gesteld.

Naar het oordeel van de Raad is aldus sprake van, aan appellant te wijten, onrechtmatigheid. Daarmee is gegeven dat appellant het verzoek van gedaagde om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar ten onrechte heeft afgewezen.

Hiermee is gegeven dat de aan het primaire besluit van 5 augustus 2004 klevende

onrechtmatigheid aan appellant moet worden verweten en dat het verzoek om vergoeding van de op het bezwaar drukkende proceskosten ten onrechte is afgewezen.

Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd voor zover aangevochten.

De Raad acht termen aanwezig om appellant te veroordelen tot vergoeding van de

proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor in ho-ger beroep verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van € 644,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 428,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.N. Rijnsewijn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2007.

(get.) R.M. van Male.

(get.) P.N. Rijnsewijn.

EK1303