Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1457

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-03-2007
Datum publicatie
26-03-2007
Zaaknummer
06-1074 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1074 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 januari 2006, 04/5256 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoetermeer (hierna: College)

Datum uitspraak: 20 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.H. Westendorp, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep

ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Westendorp. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen. Tevens zijn daar verschenen de door appellante meegebrachte getuigen [getuige 1], en [getuige 2].

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving vanaf 1 juli 1991 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellante zou samenwonen met

[betrokkene] (hierna: [betrokkene]) heeft op verzoek van het College de afdeling Bijzonder Onderzoek van de gemeente Zoetermeer een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, zijn observaties uitgevoerd, is diverse instanties om inlichtingen verzocht, zijn getuigen gehoord en hebben appellante en [betrokkene] verklaringen afgelegd. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 31 maart 2004.

Het College heeft hierin aanleiding gevonden om bij besluit van 26 april 2004 de bijstand van appellante met ingang van 1 maart 1992 in te trekken wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met [betrokkene] in de woning van appellante, zonder daarvan aan het College melding te maken, en de over de periode van 1 juli 1997 tot en met

29 februari 2004 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 81.179,33 van appellante terug te vorderen.

Bij besluit van 8 november 2004 heeft het College de bezwaren tegen het besluit van

26 april 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

8 november 2004 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad staat in dit geding voor de vraag of het College terecht heeft aangenomen dat appellante en [betrokkene] vanaf 1 maart 1992 een gezamenlijke huishouding voerden. Deze vraag zal worden beantwoord aan de hand van de van toepassing zijnde bepalingen van de Algemene Bijstandswet, de Algemene bijstandswet (Abw) en de WWB. Ingevolge deze bepalingen is van een gezamenlijke huishouding sprake indien - kort weergegeven - de betrokkenen gezamenlijk voorzien in huisvesting respectievelijk het hoofdverblijf in dezelfde woning hebben (eerste criterium) en voorts is voldaan aan het criterium van de wederzijdse verzorging.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College op grond van de beschikbare gegevens van feitelijke aard terecht heeft geconcludeerd dat vanaf 1 maart 1992 sprake is geweest van het hebben van hoofdverblijf van [betrokkene] in de woning van appellante. Op grond van de verklaringen die appellante en [betrokkene] ten overstaan van de sociale recherche hebben afgelegd, de verklaringen van buren, de gegevens van het waterleiding- en het energiebedrijf, alsmede gelet op de bevindingen bij de huisbezoeken, is ook naar het oordeel van de Raad genoegzaam komen vast te staan dat [betrokkene] tenminste vanaf

1 maart 1992 zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante en niet in zijn woning aan de Bresterstraat 20 te ’s-Gravenhage waar zijn moeder woont. Volgens appellante verbleef [betrokkene] al ongeveer vijftien jaar vijf tot zes nachten per week bij haar en sliep hij alleen als hij nachtdienst had bij zijn moeder. Uit de door [betrokkene] overgelegde gegevens is gebleken dat hij ongeveer zeven nachtdiensten per maand had. Hiermee is voldaan aan het eerste criterium van de gezamenlijke huisvesting, respectievelijk het gezamenlijk hoofdverblijf.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse verzorging.

Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, is bepalend voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.

Uit de gedingstukken komt naar voren dat [betrokkene] voor appellante zorgtaken verrichtte en zich bezig hield met het onderhoud van het huis, de tuin en andere huishoudelijke taken, dat [betrokkene] financieel bijdroeg in de aanschaf van goederen in en rond de woning en de gezamenlijke vakanties. Daarnaast betaalde hij boodschappen, kleding en schoenen voor appellante. Appellante waste en kookte voor [betrokkene].

De Raad heeft in het bijzonder acht geslagen op de inhoud van de door appellante en [betrokkene] ten overstaan van de sociale recherche afgelegde en vervolgens (zonder voorbehoud) ondertekende verklaringen. Dat deze verklaringen onder ontoelaatbare druk zijn afgelegd, onjuist zijn of om een andere reden buiten beschouwing moeten blijven, heeft appellante niet aannemelijk gemaakt. Daarnaast wijkt hetgeen ter terechtzitting door de door appellante meegebrachte getuigen is verklaard niet wezenlijk af van de door appellante en [betrokkene] afgelegde verklaringen.

Door van de gezamenlijke huishouding bij het College geen melding te maken, heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid van de Abw geschonden, als gevolg waarvan ten onrechte bijstand aan appellante is verstrekt.

Anders dan de rechtbank heeft overwogen is daarbij de vraag of [betrokkene] al dan niet over voldoende middelen beschikte om mede in het levensonderhoud van appellante te voorzien, niet van belang. Vanwege het bestaan van een gezamenlijke huishouding was appellante immers niet als zelfstandig subject van bijstand aan te merken, zodat geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande bestond.

Hieruit vloeit voort dat het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was om de bijstandsuitkering van appellante over de in geding zijnde periode in te trekken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten van die bevoegdheid gebruik te maken. Met name het feit dat een in 1999 naar de woonsituatie van appellant verricht onderzoek tot andere resultaten heeft geleid, kan niet het door appellante gewenste resultaat hebben, nu zij destijds de op haar rustende inlichtingenverplichting eveneens heeft geschonden.

Met het voorgaande is ook gegeven dat over de periode van 1 juli 1997 tot en met

29 februari 2004 is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het College bevoegd was tot terugvordering van de gedurende die periode gemaakte kosten van bijstand. In hetgeen door appellante is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

In hetgeen overigens door appellante is aangevoerd ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en A.B.J. van der Ham

en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2007.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ‘s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

GG130307