Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1456

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2007
Datum publicatie
26-03-2007
Zaaknummer
04-4413 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/4413 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 30 juni 2004, 03/635 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. Breewel-Witteveen, advocaat te Roosendaal, hoger beroep ingesteld.

Het hoger beroep zou aanvankelijk worden behandeld ter zitting van 1 september 2006, maar is uitgesteld om het Uwv de gelegenheid te bieden alsnog een verweerschrift in te dienen, waarvan het Uwv gebruik heeft gemaakt.

Het Uwv heeft bij brief van 25 oktober 2006 nog nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2007. Voor appellant is zijn voornoemde gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mw. mr. Y.P.J. Derksen.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende.

Appellant ontving laatstelijk van het Uwv een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, in verband met knie-, voet- en enkelklachten aan zijn rechterbeen.

Bij primair besluit van 7 februari 2002 heeft het Uwv in het kader van een 5-jaarlijkse herbeoordeling besloten de WAO-uitkering van appellante per 1 mei 2001 ongewijzigd voort te zetten op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Bij besluit van 24 januari 2003 (het bestreden besluit) heeft het Uwv, onder aanpassing van de motivering, het primaire besluit gehandhaafd.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep ongegrond verklaard. In deze uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv voor de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant rekening dient te houden met zowel zijn rechterbeenklachten als met zijn rugklachten. Naar het oordeel van de rechtbank is er onvoldoende aanleiding om te oordelen dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen de beenklachten en de later in een onverzekerde periode ontstane rugklachten. De rechtbank is voorts van oordeel dat het Uwv de beperkingen van appellant niet heeft onderschat, en dat appellant in staat moet worden geacht een voldoende aantal van de hem voorgehouden functies te kunnen verrichten. De rechtbank heeft de stellingen van appellant verworpen dat de schatting niet mocht worden gebaseerd op pas in de bezwaarfase geselecteerde functies, en dat de functies onvoldoende actueel zouden zijn.

Onder verwijzing naar al hetgeen eerder naar voren is gebracht, is in hoger beroep namens appellant in hoofdzaak aangevoerd dat hij meer beperkingen heeft dan het Uwv in het van toepassing zijnde belastbaarheidspatroon heeft opgenomen, en voorts dat hij de geduide functies niet kan verrichten met zijn beperkingen, terwijl de belasting van deze functies bovendien de vastgelegde belastbaarheid overschrijft.

De Raad oordeelt als volgt.

Aangezien het Uwv geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de aangevallen uitspraak, staat in dit geding vast dat voor de vraag of de WAO-uitkering van appellant moet worden herzien, al zijn relevante beperkingen moeten worden beoordeeld, dus niet alleen de beperkingen in verband met zijn rechterbeenklachten, maar ook de beperkingen die samenhangen met zijn rugklachten.

Nu partijen daarover niet van mening verschillen, is 1 mei 2001 daarbij de voor dit geding relevante beoordelingsdatum.

Appellant heeft aangevoerd dat zijn beperkingen zoals die zijn vastgelegd in het zogenoemde belastbaarheidspatroon II van 3 mei 2002 door het Uwv zijn onderschat. Appellant noemt daarbij met name de aspecten staan en lopen; klimmen en klauteren, trappen lopen, knielen, kruipen, hurken, buigen, werken boven schouderhoogte, tillen en werken bij koude temperaturen. Ter ondersteuning heeft appellant brieven overgelegd van zijn fysiotherapeuten A.H.G.M. Peters en J.P.W. Verstegen.

Appellant is op 28 september 2001 onderzocht door de verzekeringsarts H.A. Baggelaar, die een toename van de beperkingen signaleert sinds 1996. Hij heeft bij zijn beoordeling informatie betrokken van de orthopedisch chirurg J.L. Schoen en de radiodiagnost G.A. Smorenburg en heeft de beperkingen van appellant vastgelegd in een belastbaarheidspatroon.

In het kader van de beoordeling van de bezwaren van appellant tegen het primaire besluit heeft de bezwaarverzekeringsarts J.H.M. de Brouwer appellant op 2 mei 2002 op zijn spreekuur onderzocht. Hij constateert onder meer serieuze beperkingen ten aanzien van o.a. lopen, traplopen, klimmen, knielen, kruipen, tillen, gebogen werken en dragen en neemt deze op in het belastbaarheidspatroon. Ten aanzien van staan en lopen neemt hij zwaardere beperkingen op dan de primaire verzekeringsarts heeft gedaan. Uit zijn rapportage van 21 juni 2004 blijkt dat de bezwaarverzekeringsarts ook de door appellant overgelegde informatie van de fysiotherapeuten van appellant bij zijn beoordeling heeft betrokken. De bezwaarverzekeringsarts H.M.Th. Offermans heeft blijkens zijn rapport van 5 september 2006 in het licht van wat namens appellant is aangevoerd het belastbaarheidspatroon opnieuw beoordeeld en consistent geacht.

De Raad ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de beperkingen van appellant zouden zijn onderschat. Appellant is zowel bij de primaire verzekeringsarts als bij de bezwaarverzekeringsarts op het spreekuur geweest en bij de beoordeling is de aanwezige informatie betrokken van de artsen en fysiotherapeuten die appellant hebben behandeld. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat relevante klachten niet bij de beoordeling zijn betrokken en evenmin dat de vastgestelde beperkingen te licht zijn geschat.

Uitgaande van belastbaarheidspatroon II heeft de bezwaararbeidsdeskundige C.G. Litjens een aantal functies geselecteerd die appellant met zijn beperkingen moet kunnen verrichten. Volgens zijn rapport van 25 oktober 2002 is van de aanvankelijk in de primaire fase gevonden functies alleen de functie assemblagemedewerker (SBC code 8364) nog geschikt te achten. Daarbij heeft de bezwaararbeidsdeskundige nog een aantal andere functies gezocht. Voor de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant zijn daarbij, naast de genoemde functie van assemblagemedewerker, de functies stikster (SBC code 7964) en samensteller (SBC code 8463) van belang. In genoemd rapport heeft Litjens nader toegelicht waarom de functie assemblagemedewerker voor appellant geschikt is te achten. In zijn rapport van 16 januari 2003 heeft de bezwaararbeidsdeskundige A.P.L. van Beek dat nogmaals gedaan en heeft hij o.a. de functie samensteller besproken. De bezwaararbeidsdeskundige W.W.M. Strijbos is in zijn rapport van 25 oktober 2006 in verband met o.a. de opmerkingen van de fysiotherapeuten die appellant hebben behandeld, ingegaan op de vraag of o.a. de functie stikster door appellant kan worden verricht in verband met de bediening van een voetpedaal.

Gelet op de inhoud van de genoemde rapportages is de Raad van oordeel dat appellant in staat moet worden geacht de genoemde functies met zijn beperkingen te verrichten. Hetgeen van de zijde van appellant hieromtrent is aangevoerd, heeft de Raad niet van het tegendeel kunnen overtuigen. Blijkens de gedingstukken waren de functies op de in dit geding relevante datum voorts voldoende actueel.

De aan deze functies verbonden loonwaarde brengt met zich dat appellant een verlies aan verdiencapaciteit heeft van bijna 39%, wat een mate van arbeidsongeschiktheid impliceert van 35 tot 45%.

Dit betekent dat de WAO-uitkering van appellant wordt voortgezet naar dezelfde mate van arbeidsongeschiktheid als voorheen en geen sprake is van herziening of intrekking van de uitkering. De door appellant in beroep aangevoerde grief dat in de bezwaarfase in verband met de in acht te nemen zorgvuldigheid geen nieuwe functies konden worden geselecteerd, wordt reeds daarom door de Raad verworpen.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter, en J.W. Schuttel en

A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

EK0103