Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1443

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-03-2007
Datum publicatie
26-03-2007
Zaaknummer
03-5468 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of de rechtbank met recht het beroep van appellant tegen het bestreden besluit, waarbij de WAO-uitkering van appellant met ingang van 1 juli 1997 is heropend, ongegrond heeft verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/5468 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 oktober 2003, 02/1215 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J. de Bruin, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2007. Namens appellant is verschenen mr. De Bruin voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Zaagsma.

II. OVERWEGINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging.

Appellant, die de Marokkaanse nationaliteit heeft en werkzaam was als productiemedewerker, is op 11 februari 1991 uitgevallen in verband met een gastritis en ulcus ventriculi. Aan appellant is over de maximale periode van 52 weken ziekengeld toegekend. Hangende een beslissing omtrent de uitkeringen ingevolge de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is aan appellant toestemming verleend in de periode van 7 juni 1992 tot

7 september 1992 in Marokko te verblijven. In augustus 1992 heeft appellant diverse medische verklaringen ingezonden waaruit moet blijken dat hij (nog steeds) ziek is en dat hij zijn werk niet kan hervatten en niet (naar het buitenland) kan reizen.

Uit een rapportage van de verzekeringsarts J. Biersteker van 13 december 1993 blijkt dat de Caisse Nationale de Sécurité Sociale (CNSS), naar aanleiding van een verzoek van het Uwv, appellant heeft onderzocht en heeft geconcludeerd dat appellant volledig arbeidsongeschikt is en dat hij niet kan reizen. Biersteker acht de gegeven motivering onvoldoende en adviseert appellant voor onderzoek in Nederland op te roepen.

Uit een reïntegratiebericht van de Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) van

1 februari 1994 blijkt dat appellant werd uitgenodigd voor onderzoek in Nederland, maar dat appellant niet is verschenen. Appellant heeft, onder bijvoeging van een verklaring van een KNO-arts, laten weten dat hij niet kan reizen.

Bij besluit van 4 augustus 1994 zijn aan appellant met ingang van 12 februari 1992 uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 9 augustus 1994 heeft het Uwv aan appellant laten weten gebruik te maken van zijn bevoegdheid appellants arbeidsongeschiktheid ingaande 1 mei 1994 geheel en blijvend buiten aanmerking te laten. Ter motivering wordt opgemerkt dat appellant niet heeft gereageerd op diverse oproepen van de GMD. Het beroep naar aanleiding van dit besluit is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

Bij brief van 12 december 1994 is namens appellant verzocht om zijn rechten te regelen. Bij brieven van 1 februari en 12 mei 1995 heeft het Uwv geantwoord dat een medische keuring noodzakelijk is voor een eventuele voortzetting van de uitkering. Indien appellant bereid is mee te werken aan zo'n onderzoek, kan hij hiertoe een verzoek indienen, waarna hij door de medische dienst zal worden opgeroepen. Uit een telefoonnotitie van het Uwv van 22 augustus 1995 blijkt dat door de broer van appellant is verklaard dat een rapport van de behandelend arts van appellant is opgestuurd, waaruit blijkt dat appellant niet naar Nederland kan reizen. In november 1995 heeft het Uwv aan appellant laten weten dat de ingestuurde medische stukken zijn voorgelegd aan de verzekeringsarts. Deze is van mening dat de situatie ongewijzigd blijft. Verwezen wordt naar de brief van 12 mei 1995.

Door appellant is aangegeven dat hij in maart 1996 in Marokko is onderzocht door de CNSS. Dit lijkt te worden bevestigd in een rapportage van de verzekeringsarts J. van Oort van 1 juli 1997. Volgens Van Oort zou appellant in 1996 hebben kunnen reizen en licht werk kunnen verrichten. Een reïntegratiebericht van 19 juni 1996 meldt dat appellant voor nader onderzoek naar Nederland wordt opgeroepen. Volgens genoemde rapportage van Van Oort werd bericht ontvangen dat appellant op 10 augustus 1996 werd opgenomen en behandeld wegens een ernstige ziekte. In ieder geval is daarna een toestand ontstaan met lichamelijke en psychische problemen, die nu deels als gevolg van een depressie beschreven worden, aldus Van Oort.

Uit de rapportage van Van Oort blijkt verder dat appellant op 1 juli 1997, in het bijzijn van Van Oort, is onderzocht door de CNSS. Op grond van dit onderzoek concludeert Van Oort dat de standaard 'geen duurzaam benutbare mogelijkheden' van toepassing is. Bij besluit van 15 februari 2000 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant per

1 juli 1997 weer betaalbaar gesteld.

In bezwaar is namens appellant aangevoerd dat de ingangsdatum onjuist is. Verzocht wordt de ingangsdatum van de betaalbaarstelling te wijzigen in 1 mei 1994. Bij besluit van 9 maart 2001, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv, onder verwijzing naar de artikelen 25 en 29 WAO (oud), het besluit van 15 februari 2000 gehandhaafd. Opgemerkt wordt dat is besloten om ingaande 1 juli 1997 niet langer gebruik te maken van de bevoegdheid om de arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking te laten omdat appellant vanaf dat moment medewerking aan het onderzoek heeft verleend.

In beroep is namens appellant aangevoerd dat het niet juist is dat appellant in de periode tussen zijn vertrek naar Marokko in 1992 en de datum waarop hij is onderzocht in 1997 medewerking aan het onderzoek heeft geweigerd. Appellant was vanwege psychische problemen niet in staat zijn belangen te behartigen en kon niet alleen reizen. Ten onrechte is niet vastgesteld of er sprake was van arbeidsongeschiktheid per 1 mei 1994, is niet beoordeeld of er grond was om de uitkering te herstellen en is alleen het formele standpunt aangehouden dat het besluit van 9 augustus 1994 in kracht van gewijsde was gegaan. Verzocht wordt om vernietiging van het bestreden besluit.

Ter zitting van de rechtbank op 17 juli 2003 is namens appellant opgemerkt dat uit het onderzoek door de CNSS uit 1996 blijkt dat appellant op dat moment meewerkte aan het onderzoek. Appellant zal in ieder geval vanaf maart 1996 een uitkering moeten krijgen.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep hebben partijen hun in bezwaar en beroep ingenomen standpunten in essentie herhaald.

De Raad overweegt het volgende.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank met recht het beroep van appellant tegen het bestreden besluit, waarbij de WAO-uitkering van appellant met ingang van 1 juli 1997 is heropend, ongegrond heeft verklaard.

Ingevolge artikel 29 van de WAO (oud) dient het Uwv, zodra blijkt dat betrokkene zijn medewerking niet meer weigert, te beslissen of hij gebruik meent te moeten blijven maken van de bevoegdheid ingevolge artikel 25 van de WAO (oud).

De Raad zal eerst ingaan op de stelling van appellant dat hij ook vóór het gestelde onderzoek door de CNSS in maart 1996 zijn medewerking niet heeft geweigerd, maar dat hij vanwege psychische problemen niet in staat was zijn belangen te behartigen en niet alleen kon reizen. Uit de hiervoor kort weergegeven gedingstukken blijkt dat het Uwv de door appellant ingebrachte stukken heeft laten onderzoeken door een verzekeringsarts. Deze heeft geconcludeerd dat de situatie ongewijzigd was. De Raad merkt op dat door of namens appellant geen (medische) stukken in het geding zijn gebracht die de Raad hebben doen twijfelen aan de conclusie van het Uwv. De Raad is dan ook van mening dat, op basis van de thans voorhanden stukken, het Uwv heeft kunnen oordelen dat niet is gebleken dat appellant, wat betreft de periode mei 1994 tot maart 1996, zijn medewerking niet meer weigerde.

Ten aanzien van de subsidiaire stelling van appellant dat hij vanaf maart 1996 medewerking niet meer weigerde, merkt de Raad op dat uit het bestreden besluit noch anderszins blijkt dat het Uwv hiernaar onderzoek heeft verricht. De Raad moet dan ook constateren dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daaruit volgt dat dit besluit, alsmede de uitspraak van de rechtbank, waarbij dit besluit in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking komen.

De Raad voegt hieraan toe dat uit zijn uitspraak van 27 oktober 2006, LJN AZ1115, blijkt dat artikel 29 WAO (oud) impliceert dat het Uwv ook ten aanzien van tijdvakken gelegen vóór het moment waarop betrokkene zijn medewerking weer is gaan verlenen moet beslissen over het gebruik van zijn bevoegdheid. Uit het bestreden besluit en de gedingstukken blijkt niet dat het Uwv hieraan aandacht heeft besteed. Dat betekent dat het bestreden besluit ook wegens schending van het motiveringsbeginsel als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, niet in stand kan blijven.

De Raad acht termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 644,- in hoger beroep, in totaal € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dit besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 104,23 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en H.J. Simon en

H.G. Lubberdink als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2007.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) P.H. Broier.

TM