Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1395

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-03-2007
Datum publicatie
26-03-2007
Zaaknummer
06-1177 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag bijzondere bijstand voor de kosten van fietsen. Is de bijzondere bijstand terecht deels toegekend in de vorm van een geldlening?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 152
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1177 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 24 januari 2006, 05/2650 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda (hierna: Commissie)

Datum uitspraak: 20 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.F.M. Gulickx, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.

De Commissie heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2007. Voor appellante is verschenen mr. Gulickx. De Commissie heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving sedert 17 december 1996 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

Appellante heeft op 15 juli 2004 bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van drie fietsen voor haar zelf en twee van haar kinderen. Bij besluit van 7 december 2004 heeft de Commissie naar aanleiding van deze aanvraag bijzondere bijstand toegekend tot een bedrag van € 923,-- onder mededeling dat een bedrag van € 250,-- wordt verstrekt om niet en een bedrag van € 673,-- in de vorm van een geldlening.

Het bezwaar van appellante dat de bijzondere bijstand ten onrechte deels is toegekend in de vorm van een geldlening, is bij besluit van 6 juni 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 6 juni 2005 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Artikel 48, eerste lid, van de WWB schrijft voor dat, tenzij in deze wet anders is bepaald, de bijstand wordt verleend om niet. Ingevolge artikel 51, eerste lid, van de WWB kan bijzondere bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht, danwel in de vorm van een bedrag om niet. Het tweede lid van artikel 51 van de WWB geeft regels omtrent de afstemming van de aflossingsbedragen en de termijn van de aflossing van de geldlening.

In dit geding staat vast dat de aanvraag van appellante uitsluitend de kosten van duurzame gebruiksgoederen betreft. De Commissie was derhalve bevoegd de gevraagde bijzondere bijstand toe te kennen in de vorm van een geldlening.

Uit de gedingstukken blijkt dat de Commissie het beleid voert dat voor de kosten van aanschaf van duurzame gebruiksgoederen in principe bijstand wordt verleend in de vorm van een geldlening. In bijzondere gevallen, bijvoorbeeld als het niet verantwoord is een nieuwe lening te verstrekken, kan bijstand om niet worden verleend. Personen die drie jaar of langer een inkomen op bijstandsniveau hebben kunnen per kalenderjaar in aanmerking komen voor een bedrag om niet van € 175,-- (alleenstaande) of € 250,-- (alleenstaande ouder of gehuwden).

Naar het oordeel van de Raad gaat dit beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de kosten van aanschaf van duurzame gebruiksgoederen moeten worden gerekend tot de algemene kosten van het bestaan waarvoor de betrokkene zonodig dient te reserveren. Indien - zoals in het onderhavige geval - zich de bijzondere situatie voordoet dat duurzame gebruiksgoederen moeten worden aangeschaft en de betrokkene daarvoor nog niet of niet voldoende heeft gereserveerd ligt het voor de hand dat de bijstand, mede gezien het duurzame karakter van de gebruiksgoederen, in principe in de vorm van een geldlening wordt verstrekt.

De Raad stelt vast dat de Commissie heeft gehandeld overeenkomstig haar beleid door appellante, die alleenstaande ouder is en langer dan drie jaar een inkomen op bijstandsniveau heeft, tot een bedrag € 250,-- bijzondere bijstand toe te kennen om niet en voor het overige in de vorm van een geldlening.

Appellante heeft gesteld dat zij om medische redenen een fiets nodig heeft en dat zij geen financiële ruimte heeft om de geldlening terug te kunnen betalen. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat hierin geen bijzondere redenen zijn gelegen om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht van het beleid af te wijken. De Raad verwijst kortheidshalve naar de overwegingen van de rechtbank terzake. De stukken die appellante ter onderbouwing van haar stelling dat zij om medische redenen een fiets nodig heeft in hoger beroep heeft ingezonden leiden de Raad niet tot een ander oordeel, reeds omdat uit die stukken niet blijkt van een medische noodzaak voor de aanschaf van een fiets. De Raad stelt voorts vast dat niet is gebleken van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging van de zijde van de Commissie waarop een in rechte te honoreren beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gebaseerd.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L.M. Reijnierse als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2007.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) L.M. Reijnierse.