Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1392

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-03-2007
Datum publicatie
26-03-2007
Zaaknummer
05-498 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Ziektewet-uitkering. Uwv heeft op goede gronden aangenomen dat betrokkene niet ongeschikt was voor zijn arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/498 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 17 december 2004, 03/1941 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.F. Portier, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2007. Voor appellant is verschenen mr. L.F. Portier. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. I.M. de Groot.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

Appellant, werkzaam als productiemedewerker bij [werkgever] te [vestigingsplaats], heeft zich op 13 januari 2003 ziek gemeld wegens aanhoudende rugklachten en spanningsklachten. Per 1 februari 2003 is het dienstverband van appellant beëindigd.

Op 22 april 2003 is appellant onderzocht door verzekeringsarts R. van der Vlies, die hem per 28 april 2003 hersteld heeft verklaard voor zijn arbeid.

Bij besluit van 22 april 2003 heeft het Uwv appellant met ingang van 28 april 2003 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) geweigerd.

In het kader van het door appellant tegen het besluit van 22 april 2003 gemaakte bezwaar is hij op 4 juli 2003 gezien en onderzocht door bezwaarverzekeringsarts M.E.J. van Hooff die, na informatie te hebben ontvangen van sociaal-psychiatrisch verpleegkundige

W. Janssen van 5 augustus 2003, concludeerde dat de medische grondslag van het primaire besluit juist is.

Bij besluit van 28 augustus 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

In beroep is door de gemachtigde van appellant een brief van 18 juli 2003 van de behandelend psychiater P. Kwaadgras overgelegd.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant zich op het standpunt gesteld dat niet duidelijk is in hoeverre de bezwaarverzekeringsarts contact heeft gehad met behandelend psychiater Kwaadgras en dat de verzekeringsartsen niet tot een juist medisch oordeel zijn gekomen.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 19 van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, recht op ziekengeld.

De bezwaarverzekeringsarts stelt ten aanzien van de lichamelijke klachten in zijn rapportage van 26 augustus 2003 dat appellant sedert mei 2000 bekend is met rugklachten en dat bij verscheidene lichamelijke onderzoeken telkens dezelfde licht beperkte beweeglijkheid wordt aangetroffen zonder radiculaire prikkelings- of neurologische uitvalsverschijnselen. Onder verwijzing naar de richtlijnen “aspecifieke rugklachten van 2003” en “lage rugklachten” stelt de bezwaarverzekeringsarts dat daarin onder meer wordt aanbevolen actief bezig te blijven.

Uit de overgelegde brief van sociaal-psychiatrisch verpleegkundige Janssen blijkt dat bij appellant sprake was van depressieve klachten en dat appellant hiervoor een medicatieconsult bij de psychiater heeft gehad, dat heeft geresulteerd in gebruik van een vitamine B-complex, maar dat in psychiatrisch opzicht geen nadelen worden gezien aan het hervatten van werk, mits hier een adequate begeleiding bij geboden wordt. De bezwaarverzekeringsarts heeft deze informatie betrokken bij de medische beoordeling van appellant. Mede op basis hiervan is hij tot de conclusie gekomen dat geen sprake is van een depressieve stoornis maar van een licht depressief syndroom. Uit de in beroep overgelegde brief van psychiater Kwaadgras is de Raad niet gebleken dat de bezwaarverzekeringsarts niet tot deze conclusie heeft kunnen komen. Van de zijde van appellant zijn verder geen nadere medische gegevens overgelegd die aanleiding zouden moeten geven tot twijfel aan de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts.

De Raad is gelet op het vorenstaande van oordeel dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en dat het Uwv derhalve op goede gronden heeft aangenomen dat appellant met ingang van 28 april 2003 niet ongeschikt was zijn arbeid, in de zin van artikel 19 van de ZW, te verrichten. Het hoger beroep slaagt dan ook niet en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en M.C. Bruning en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2007.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) P. van der Wal.