Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1369

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-03-2007
Datum publicatie
26-03-2007
Zaaknummer
04-5680 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering vergoeding kosten gemaakt in bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/5680 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 augustus 2004, 03/1891 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 16 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 20 september 2005 en 5 oktober 2006 heeft de gemachtigde van appellante haar standpunt uitgebreid toegelicht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2006. Voor appellante is verschenen mr. De Jonge. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.K. Dekker.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 22 februari 2001 heeft het Uwv de aan appellante toegekende WAO-uitkering met ingang van 17 april 2001 ingetrokken. Het bezwaar tegen dit besluit is ongegrond verklaard bij besluit van 3 augustus 2001. Hangende het tegen laatstgenoemd besluit ingestelde beroep heeft het Uwv op 6 maart 2002 een nader besluit genomen waarbij de uitkering in verband met een correctie van het maatmaninkomen – per 17 april 2001 is herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. De rechtbank heeft op 22 november 2002 uitspraak gedaan. Daarbij is onder meer het beroep tegen het besluit van 3 augustus 2001 gegrond verklaard voor zover dit besluit betrekking heeft op de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante. Voor het vervolg van die zaak zij verwezen naar de uitspraak van de Raad van 5 oktober 2005, LJN: AU3920.

Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank 22 november 2002 heeft de gemachtigde van appellante het Uwv verzocht een schadebesluit te nemen met betrekking tot de kosten van haar adviseurs, de arbeidsdeskundige

G.J. van Assen en mevrouw Verhage van Instituut Psychosofia.

Bij besluit van 22 januari 2003 heeft het Uwv de kosten van het rapport van de arbeidsdeskundige vergoed, maar geweigerd de kosten van de rapportages van mevrouw Verhage te vergoeden.

Bij besluit van 23 mei 2003 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 22 januari 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

De gemachtigde van appellante heeft in hoger beroep uitvoerig uiteengezet waarom de rapporten van mevrouw Verhage voor vergoeding in aanmerking behoren te komen.

De Raad overweegt allereerst dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat het huidige artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet van toepassing is, nu het primaire besluit dateert van voor 12 maart 2002. De beslissing op het verzoek om vergoeding van kosten is terecht gegoten in de vorm van een zuiver schadebesluit.

In dit geding staat centraal de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd de rapporten van mevrouw Verhage te vergoeden. De Raad beantwoordt die vraag, evenals de rechtbank, bevestigend.

In zijn uitspraak van 13 april 2005, LJN: AT4323, heeft de Raad uitgebreid uiteengezet waarom de rapporten van mevrouw Verhage niet voor vergoeding in aanmerking komen. Duidelijker dan in die uitspraak kan de Raad het niet zeggen. Daarom volstaat de Raad ook thans met een verwijzing naar die uitspraak.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Er zijn geen termen aanwezig voor een proceskostenvergoeding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2007.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.