Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1358

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-03-2007
Datum publicatie
23-03-2007
Zaaknummer
06-813 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering wegens meerinkomen. Toerekeningsmaatstaf.

Wetsverwijzingen
Wet studiefinanciering 2000
Wet studiefinanciering 2000 3.17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2007, 145
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/813 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 januari 2006, nr. 05/207 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellante

Datum uitspraak: 16 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Mr. drs. M.A. Jacobs, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, heeft bericht dat zij als gemachtigde van betrokkene optreedt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2007. Appellante was vertegenwoordigd door mr. drs. E.H.A. van den Berg. Betrokkene en zijn gemachtigde zijn niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Betrokkene heeft over de maanden januari tot en met juli 2000 studiefinanciering genoten.

Bij besluit van 28 september 2004 heeft appellante aan betrokkene een vordering wegens meerinkomen over het studiefinancieringstijdvak 2000 opgelegd. Bij de vaststelling van het toetsingsinkomen heeft appellante 7/12e van de door betrokkene in 2000 gerealiseerde winst uit onderneming meegeteld. Betrokkene heeft tegen de opgelegde vordering bezwaar gemaakt, aangezien hij de winst uit onderneming voor het overgrote deel heeft behaald in de laatste maanden van 2000, nadat hij zijn studiefinanciering had beƫindigd. Bij de beslissing op bezwaar van 10 januari 2005 (het bestreden besluit) heeft appellante het bezwaar van betrokkene verworpen, maar wel aanleiding gevonden om het toetsingsinkomen met toepassing van de hardheidsclausule te herberekenen. Hierdoor daalde het bedrag van het meerinkomen, maar het bleef nog steeds hoger dan het bedrag van de over de maanden januari tot en met juli 2000 ontvangen studiefinanciering, zodat de vordering wegens meerinkomen geen wijziging onderging.

Bij het bestreden besluit heeft appellante toepassing gegeven aan haar op de hardheidsclausule gebaseerde beleid dat inhoudt dat indien een onderneming gedurende een deel van het kalenderjaar is gedreven de winst wordt toegerekend aan die maanden van het jaar gedurende welke de onderneming is gedreven, indien deze wijze van toerekenen voor de studerende voordeliger is. Gelet op de datum van inschrijving van de onderneming in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel (27 maart 2000) heeft appellante de winst in casu toegerekend aan de maanden april tot en met december 2000, in welk tijdvak vier studiefinancieringsmaanden vielen (april tot en met juli), zodat appellante 4/9e deel van de winst in aanmerking heeft genomen.

De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd. Zij heeft overwogen dat de toerekeningsmaatstaf die appellante hanteert geen steun vindt in de wet, nu noch uit de tekst, noch uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 26, vijfde lid, van de WSF-oud en artikel 3.17, zesde lid, van de Wsf 2000 blijkt dat de wetgever de bedoeling heeft gehad ingeval van winst uit onderneming die is gestart of beƫindigd in de loop van het kalenderjaar per maand meer dan 1/12e deel van die winst aan het toetsingsinkomen toe te rekenen. De door appellante gehanteerde toerekening van 4/9e deel gaat volgens de rechtbank dan ook van een onjuiste grondslag uit en is volgens de rechtbank overigens iets nadeliger jegens betrokkene dan de door de wet voorgeschreven verdeling.

Appellante keert zich terecht tegen dit oordeel van de rechtbank. Zij heeft met juistheid aangevoerd dat de rechtbank miskent dat het onderhavige beleid dat op grond van de hardheidsclausule wordt gevoerd weliswaar mede impliceert dat aan een aantal maanden van het kalenderjaar meer dan 1/12e deel van de winst wordt toegerekend, maar dat in het voordeel van de studerende tevens aan een aantal maanden van het kalenderjaar geen winst wordt toegerekend. Het oordeel van de rechtbank dat de door appellante gehanteerde toerekening nadeliger is jegens betrokkene dan de door de wet voorgeschreven verdeling mist feitelijke grondslag; 4/9 is minder dan 7/12.

Het door appelante ingestelde hoger beroep treft dan ook doel.

De door betrokkene voorgestane wijze van toerekening van de winst uit onderneming vindt geen steun in de wet. De wetgever heeft nu eenmaal gekozen voor een systeem waarbij de jaarwinst gelijkelijk wordt toegerekend aan de kalendermaanden van het jaar.

Hieruit volgt dat het inleidende beroep alsnog ongegrond moet worden verklaard.

Er zijn geen termen aanwezig voor vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidende beroep alsnog ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en I.M.J. Hilhorst Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2007.

(get) J. Janssen.

(get) M.C.T.M. Sonderegger.

RG