Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1308

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-03-2007
Datum publicatie
26-03-2007
Zaaknummer
05-599 WAO
Formele relaties
Einduitspraak na bestuurlijke lus: ECLI:NL:CRVB:2009:BI6867, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering onverschuldigd betaalde WAO-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/599 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 17 december 2004, 04/319 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 16 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft geen gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid een verweerschrift in te dienen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2007. Voor appellant is verschenen A.G.G. Schoonderbeek. Betrokkene is met kennisgeving niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 6 maart 2003 heeft appellant de uitkering van betrokkene ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 27 mei 1999 ingetrokken op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene was afgenomen naar minder dan 15%.

Bij besluit van 20 maart 2003 heeft appellant een bedrag van € 49.254,09 bruto van betrokkene teruggevorderd, als volgens appellant in verband met het besluit van 6 maart 2003 onverschuldigd aan betrokkene betaald over het tijdvak van 27 mei 1999 tot en met 1 februari 2003.

Bij besluit van 2 maart 2004, hierna: het bestreden besluit, heeft appellant ongegrond verklaard het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 6 maart 2003. Daarbij heeft appellant de motivering van het besluit van 6 maart 2003 in die zin verbeterd dat betrokkene op en na 27 mei 1999 ongewijzigd blijft ingedeeld in de klasse 80 tot 100%, zijn uitkering in verband met ontvangen inkomsten uit arbeid met toepassing van artikel 44, eerste lid, van de WAO vanaf laatstgenoemde datum wordt uitbetaald als ware hij arbeidsongeschikt in een mate van minder dan 15%, en heeft appellant de uitkering met toepassing van het tweede lid van genoemde bepaling met ingang van 27 mei 2002 ingetrokken.

Bij het bestreden besluit heeft appellant voorts, onder gedeeltelijke gegrondverklaring in zoverre van het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 20 maart 2003, de periode van terugvordering nader bepaald op 27 mei 1999 tot 30 januari 2003 en - in verband hiermee - het bedrag van de terugvordering nader bepaald op € 48.046,64 bruto.

Bij deze besluitvorming heeft appellant, samengevat weergegeven, tot uitgangspunt genomen dat betrokkene vanaf 27 mei 1999 naast zijn uitkering inkomsten uit werkzaamheden als zelfstandig glazenwasser heeft ontvangen, waarover hij appellant niet tijdig en volledig heeft geïnformeerd.

De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat zij appellant vooralsnog niet kan volgen in de conclusie dat betrokkene in staat is geweest om met zijn werkzaamheden inkomsten ten bedrage van € 400,-- per dag - zoals verklaard door zijn ex-partner

P.A. [P.] (hierna: [P.]) - dan wel inkomsten ter hoogte van het CAO-loon voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf - zoals in aanmerking genomen bij een door de bezwaararbeidsdeskundige K. Smit in diens rapport van 17 december 2003 uitgevoerde berekening - duurzaam te verwerven.

De rechtbank heeft hierbij in haar afweging betrokken dat betrokkene, die in 1981 wegens psychische klachten voor zijn toenmalige werkzaamheden is uitgevallen, heeft verklaard dat hij weliswaar als glazenwasser heeft gewerkt, maar tevens dat hij die werkzaamheden als gevolg van zijn medische situatie zeer onregelmatig verrichtte, welke verklaring volgens de rechtbank wordt ondersteund door klanten van betrokkene.

Gelet hierop had appellant, aldus de rechtbank, niet tot het oordeel kunnen komen dat betrokkene gedurende drie jaren in staat is geweest zich het inkomen te verwerven waarvan appellant is uitgegaan, zonder zich ervan te vergewissen of betrokkene hiertoe medisch gezien in staat was. De rechtbank heeft hierbij mede in aanmerking genomen dat appellants verzekeringsarts D.W. Seyfert in een rapport van 28 oktober 2003 tot de conclusie is gekomen dat bij betrokkene - arbitrair - vanaf 2 januari 2003 geen duurzaam benutbare mogelijkheden aanwezig waren en dat er sprake is van dezelfde ziekteoorzaak als voorheen.

Nu aldus het besluit tot korting en intrekking geen stand kon houden, kon volgens de rechtbank ook het onderdeel van het bestreden besluit waarbij appellant is overgegaan tot terugvordering, in rechte geen stand houden.

De Raad overweegt als volgt.

Uit de beschikbare gegevens komt naar voren - dit wordt van de zijde van betrokkene op zich ook niet ontkend - dat betrokkene in de hier aan de orde zijnde periode naast zijn volledige arbeidsongeschiktheiduitkering ingevolge de WAO werkzaamheden als zelfstandig glazenwasser heeft verricht en daarmee inkomsten heeft verworven. Tevens staat vast dat betrokkene in strijd met de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting in gebreke is gebleven appellant uit eigen beweging omtrent die werkzaamheden en inkomsten tijdig en correct te informeren.

Appellant heeft, zich op het standpunt stellend dat de door betrokkene verworven inkomsten in beginsel als inkomsten uit arbeid als bedoeld in artikel 44 van de WAO voor korting op zijn uitkering in aanmerking komen, bij gebreke aan concrete gegevens ter zake, het bedrag van de te korten arbeidsinkomsten als volgt - schattenderwijs - vastgesteld.

In zijn evenvermelde rapport van 17 december 2003 heeft genoemde bezwaararbeidsdeskundige K. Smit onder meer aangegeven dat volgens een door [P.] tegenover de opsporingsdienst van appellant afgelegde verklaring betrokkene een bedrag van € 400,-- per dag zou hebben verdiend, hetgeen ruimschoots meer is dan het maatmanloon van betrokkene. Genoemde bezwaararbeidsdeskundige heeft evenwel tevens aangegeven dat, indien niet zou worden uitgegaan van die € 400,-- per dag, maar van het volgens de hier toepasselijke CAO voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf voor een voltijdse glazenwasser geldende loon van € 1.589,62 per maand, in vergelijking met het maatgevende loon nog steeds sprake zou zijn van een loonverlies van minder dan 15%.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad is een bestuursorgaan in een geval als het onderhavige, waarin de verzekerde heeft verzuimd concrete, verifieerbare gegevens betreffende zijn werkzaamheden en inkomsten te verschaffen, bevoegd om die inkomsten schattenderwijs vast te stellen. Wel zal, eveneens volgens die rechtspraak, aan die schatting voldoende onderzoek vooraf dienen te gaan en zal de nodige zorgvuldigheid dienen te worden betracht teneinde tot een vaststelling te kunnen komen die de werkelijkheid zo dicht mogelijk benadert.

In het onderhavige geval staat buiten kijf dat betrokkene, die geen ordentelijke boekhouding heeft bijgehouden van zijn tegenover appellant verzwegen activiteiten en van zijn inkomsten, heeft verzuimd om concrete en verifieerbare gegevens met betrekking tot zijn werkzaamheden en inkomsten aan appellant te verschaffen. Tegen de achtergrond hiervan en in het licht van evenvermelde jurisprudentie, acht de Raad de door appellant gevolgde benadering om wat betreft de door betrokkene genoten inkomsten uit te gaan van het CAO-loon van een voltijdse glazenwasser, alleszins aanvaardbaar.

De Raad heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat op grond van de voorliggende gegevens niet aan gerede twijfel onderhevig is dat betrokkene gedurende een reeks van jaren en in een aanzienlijke omvang naast zijn uitkering inkomsten uit arbeid heeft verworven. Uit de door de rechtbank bedoelde verklaringen van klanten van betrokkene kan, anders dan de rechtbank heeft gedaan, naar het oordeel van de Raad niet worden afgeleid dat betrokkene slechts zeer onregelmatig heeft gewerkt.

Voorts bieden de medische gegevens voldoende aanknopingspunten om het ervoor te houden dat betrokkene tot een (nagenoeg) voltijdse arbeidsverrichting in staat is geweest, te meer nu uit de beschikbare gegevens naar voren komt dat er ook personeel aanwezig was en betrokkene het uitvoerende werk dus niet steeds zelf behoefde te verrichten. Voor nader medisch onderzoek dienaangaande, als voorgestaan door de rechtbank, acht de Raad dan ook geen noodzaak aanwezig.

Betrokkene is er niet in geslaagd aan te tonen dat de aldus door appellant schattenderwijs tot uitgangspunt genomen gegevens met betrekking tot de mate waarin hij heeft gewerkt en inkomsten heeft genoten onjuist zijn. Voor zover nog sprake zou zijn van twijfel, dan kan die twijfel niet ten gunste van betrokkene strekken, nu het ontbreken van concrete en verifieerbare gegevens volledig in zijn risicosfeer ligt.

Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat het besluit tot het toepassen met terugwerkende kracht tot 27 mei 1999 van een korting (nihilstelling) op betrokkenes uitkering wegens inkomsten uit arbeid en tot intrekking van die uitkering na afloop van een aaneengesloten periode van korting gedurende drie jaar, in rechte geen bezwaren ontmoet.

Daarmee is tevens gegeven dat appellant over het in aanmerking genomen tijdvak onverschuldigd aan betrokkene heeft betaald. Appellant is in beginsel gehouden tot terugvordering daarvan over te gaan. In dit verband overweegt de Raad dat van de zijde van betrokkene geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd die tot de conclusie nopen dat er voor appellant dringende redenen zijn om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Wel merkt de Raad nog het volgende op. Appellant heeft in de fase van het hoger beroep te kennen gegeven dat het terugvorderingsbedrag andermaal - in geringe mate - dient te worden verlaagd, te weten tot een bedrag van € 47.042,55.

De Raad, die geen aanleiding heeft om dit laatste bedrag niet voor juist te houden, concludeert dat ook het besluit tot terugvordering, zij het niet ten volle maar tot een bedrag van € 47.042,55, in rechte stand kan houden.

Er is niet gebleken van aan de zijde van betrokkene in hoger beroep gevallen proceskosten die op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

De Raad beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij appellant is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit voor zover daarbij meer is teruggevorderd dan € 47.042,55;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond voor het overige.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en R.C. Stam als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.