Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1292

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-03-2007
Datum publicatie
22-03-2007
Zaaknummer
06-1186 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Overschrijding vermogensgrens. Schending inlichtingenverplichting. Toetsing gemeentelijk beleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1186 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 januari 2006, 05/2654 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 20 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.M. Deiman, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Deiman. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V. Wiegman, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat, gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante ontving van het College sedert 7 september 1998 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

De Belastingdienst heeft op 13 juli 2004 aan het College gemeld dat op een op naam van appellante gestelde bankrekening bij de ABN/Amro Bank met rekeningnummer [rekeningnummer] een tegoed staat van € 18.196,--. Hierop heeft het College een onderzoek ingesteld naar de financiële situatie van appellante. Naar aanleiding van de bevindingen van dit onderzoek heeft het College bij besluit van 2 november 2004 de aan appellante verleende bijstand over de periode van 11 april 2002 tot en met 31 december 2002 ingetrokken en een bedrag van € 10.442,74 van haar teruggevorderd. Voorts heeft het College bij besluit van 14 december 2004 de bijstand met ingang van 1 december 2004 opgeschort en bij besluit van 26 januari 2005 de bijstand met ingang van die datum beëindigd (lees: ingetrokken). Aan de intrekking van de bijstand met ingang van 11 april 2002 ligt ten grondslag dat appellante ten tijde van belang beschikte over een vermogen dat de voor haar toepasselijke vermogensgrens overschreed. De beëindiging van de bijstand berust op de grond dat appellante geen opheldering heeft verschaft omtrent de besteding van de van haar bankrekening opgenomen gelden, zodat niet kan worden vastgesteld of en in hoeverre zij met ingang van 1 december 2004 in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.

Bij besluit van 24 mei 2005 heeft het College de tegen de besluiten van 2 november 2004 en van 26 januari 2005 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en het tegen het besluit van 14 december 2004 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 24 mei 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Naar vaste rechtspraak van de Raad rechtvaardigt het feit dat een bankrekening op naam van een bijstandontvanger een tegoed bevat de vooronderstelling dat dit tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij de beschikking heeft dan wel redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om in genoegzame mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is. Met het College en de rechtbank is de Raad op grond van het hiernavolgende van oordeel dat appellante daarin niet is geslaagd.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het College er ten onrechte van uitgaat dat de tegoeden op haar bankrekening ook daadwerkelijk aan haar toebehoorden. Deze tegoeden komen naar haar zeggen geheel toe aan haar neef M.A. [naam neef van appellante] (hierna: [naam neef van appellante]). [naam neef van appellante] heeft dit bevestigd bij schriftelijke verklaring van 26 januari 2005 en bij ter zitting van de rechtbank van 10 januari 2006 als getuige afgelegde verklaring. Volgens de verklaringen van [naam neef van appellante] gaat het hier om het beheren van gelden betreffende de nog niet verdeelde nalatenschap van de (ruim dertig jaar geleden in Suriname overleden) vader van [naam neef van appellante]. [naam neef van appellante] heeft het geld in bewaring gegeven aan appellante, die het vervolgens heeft gestort op haar bovenvermelde bankrekening.

Met de rechtbank stelt de Raad echter vast dat met geen enkel schriftelijk bewijsstuk is onderbouwd dat het hier gaat om gelden die afkomstig zijn uit een erfenis, bijvoorbeeld door middel van verleende volmachten aan [naam neef van appellante] en/of verklaringen van andere erfgenamen. Overigens acht de Raad de verklaringen van [naam neef van appellante] omtrent het doel en de besteding van die gelden niet consistent en niet geloofwaardig. Zo heeft hij gesteld dat de gelden in bewaring bij appellante dienden te blijven totdat verdeling onder de erfgenamen zou plaatsvinden. [naam neef van appellante] heeft echter ook verklaard dat hij een deel van de gelden reeds ten bate van zijn eigen bedrijf had aangewend en dat hij inmiddels bijna al het geld zelf heeft gebruikt, zonder dat een verdeling onder erfgenamen had plaatsgevonden. Wat daar verder ook van zij, naar het oordeel van de Raad is de vooronderstelling dat de banktegoeden een bestanddeel vormden van het vermogen van appellante geenszins aangetast door de verklaringen die [naam neef van appellante] en appellante in dit opzicht hebben afgelegd. Ook anderszins is niet gebleken dat appellante gedurende de periode van 11 april 2002 tot en met 31 december 2002 over die gelden feitelijk niet de beschikking had dan wel redelijkerwijs niet kon beschikken.

Uit de beschikbare bankafschriften blijkt dat de banksaldi op diverse tijdstippen binnen die periode varieerden van € 15.497,86 tot € 18.547,86 en derhalve meer bedroegen dan de voor appellante geldende vermogensgrens (€ 9.640,--). Door appellante is voorts niet betwist dat de banktegoeden gedurende de gehele hier van belang zijnde periode hoger waren dan dit bedrag. De Raad kan zich dan ook verenigen met het standpunt van het College dat appellante in de periode van 11 april 2002 tot en met 31 december 2002 geen recht had op bijstand wegens overschrijding van de vermogensgrens.

Nu appellante van deze banktegoeden geen opgave heeft gedaan, is zij de in artikel 65, eerste lid, van de Abw vervatte inlichtingenverplichting niet naar behoren nagekomen. Appellante heeft ten gevolge van de schending van de inlichtingenverplichting ten onrechte bijstand ontvangen over de hiervoor genoemde periode.

Het vorenstaande betekent dat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de aan appellante verleende bijstand over de periode van 11 april 2002 tot en met 31 december 2002 in te trekken.

Artikel 3 van de op artikel 8a van de WWB berustende en door de Raad van de gemeente Rotterdam (hierna: gemeenteraad) vastgestelde Handhavingsverordening Wet werk en bijstand luidt (hierna: verordening):

“1. Het college besluit tot opschorting, herziening of intrekking van het recht op bijstand indien en voor zover het college daartoe op grond van de wet bevoegd is.

2. Als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van opschorting, herziening of intrekking af te zien.”.

De Raad stelt vast dat aldus door de gemeenteraad regels zijn gesteld met betrekking tot de uitoefening van de in artikel 54 van de WWB aan het College toegekende - discretionaire - bevoegdheid tot opschorting, herziening en intrekking in de in artikel 3 van de verordening bedoelde gevallen. Daarmee heeft de gemeenteraad de in artikel 8a van de WWB aan hem toegekende verordenende bevoegdheid overschreden. Blijkens de tekst van deze - bij amendement ingevoegde - bepaling en blijkens de toelichting bij dat amendement (Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, 28 870, nr. 12, blz. 1) mag de desbetreffende verordening slechts betrekking hebben op (uitgangspunten voor) het financiële beleid en het financiële beheer bij de gemeente. Daaronder kan de inhoud van artikel 3 van de verordening niet worden gebracht. De Raad acht in dit verband voorts van belang dat noch de tekst noch de toelichting enig aanknopingspunt bevat om te kunnen aannemen dat de wetgever heeft beoogd de gemeenteraad de bevoegdheid te geven door middel van de in artikel 8a van de WWB bedoelde verordening te interveniëren in de bij artikel 54 van de WWB aan het college van burgemeester en wethouders toegekende discretionaire bevoegdheid. Het voorgaande betekent dat artikel 3 van de verordening verbindende kracht mist.

Gelet op het feit dat de verordening is vastgesteld op voorstel van het College, en in aanmerking genomen dat de vertegenwoordiger van het College ter zitting van de Raad ook heeft aangegeven dat het beleid wordt gevoerd dat behoudens dringende redenen steeds tot opschorting, herziening en intrekking wordt overgegaan, welk beleid geheel overeenkomt met artikel 3 van de verordening, ziet de Raad vervolgens aanleiding deze bepaling te beschouwen als de verwoording van - (nog) niet in een beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegd - beleid van het College, ter invulling van de in artikel 54 van de WWB aan het College toegekende discretionaire bevoegdheid.

Naar het oordeel van de Raad gaat dit beleid, althans voor zover het betreft de intrekking die - zoals in dit geval - het gevolg is van schending van de inlichtingenverplichting door de betrokkene, de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het College niet in overeenstemming met zijn beleid tot algehele intrekking van de bijstand heeft besloten. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad evenmin een grond voor het oordeel dat het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, in afwijking van het beleid geheel of gedeeltelijk van intrekking had moeten afzien.

Met het voorgaande is tevens gegeven dat het College bevoegd is met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de over de periode van 11 april 2002 tot en met 31 december 2002 gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen.

Artikel 4, eerste lid, van verordening bepaalt dat het College de kosten van bijstand terugvordert indien en voor zover het college daartoe op grond van de wet bevoegd is.

In artikel 5 van de verordening is bepaald dat het College kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien als het terug te vorderen bedrag lager is dan een nader door het College te bepalen bedrag en de kosten van terug- en invordering daar naar verwachting niet tegen zullen opwegen, dan wel als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. In artikel 5 en 6 van de verordening zijn daarnaast diverse andere gevallen aangegeven op grond waarvan het College kan besluiten geheel of gedeeltelijk van (verdere) terugvordering af te zien.

De Raad stelt vast dat aldus door de gemeenteraad tevens regels zijn gesteld met betrekking tot de uitoefening van de in artikel 58 van de WWB aan het College toegekende - discretionaire - bevoegdheid tot terugvordering. Daarmee heeft de gemeenteraad de in artikel 8a van de WWB aan hem toegekende verordenende bevoegdheid ook op het punt van de terugvordering overschreden. De Raad verwijst verder naar hetgeen daaromtrent bij de beoordeling van de intrekking van de bijstand reeds is overwogen.

Gelet op het feit dat de verordening is vastgesteld op voorstel van het College, en in aanmerking genomen dat de vertegenwoordiger van het College ter zitting van de Raad ook heeft aangegeven dat het College een beleid voert, inhoudende dat behoudens - samengevat - kruimelgevallen en behoudens dringende redenen steeds tot terugvordering wordt overgegaan, welk beleid in zoverre overeenkomt met de artikelen 4 en 5 van de verordening, ziet de Raad vervolgens aanleiding de hiervoor bedoelde bepalingen te beschouwen als de verwoording van - (nog) niet in een beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegd - beleid van het College, ter invulling van de in artikel 58 van de WWB aan het College toegekende discretionaire bevoegdheid. Zoals de Raad meermalen heeft geoordeeld wordt daarmee niet buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling getreden, voor zover deze ziet op situaties - zoals in het geval van appellante - waarin sprake is van terugvordering van bijstand die het gevolg is van een intrekkingsbesluit als bedoeld in artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het College niet in overeenstemming met zijn beleid tot - volledige - terugvordering van appellante heeft besloten. De Raad ziet evenmin een grond voor het oordeel dat het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, in afwijking van het beleid geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.

Met betrekking tot de beëindiging van de bijstand met ingang van 1 december 2004 stelt de Raad voorop dat in een geval als het onderhavige, waarin het besluit tot toekenning van bijstand vanaf een in het verleden gelegen datum of over een in het verleden gelegen periode ongedaan wordt gemaakt, er geen sprake is van beëindiging maar van intrekking van bijstand. Het College heeft de intrekking van de bijstand ingaande 1 december 2004 niet beperkt tot een bepaalde periode. Naar vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 1 december 2004 tot en met 26 januari 2005.

Deze intrekking is gebaseerd op de grond dat het recht op bijstand met ingang van 1 december 2004 niet kan worden vastgesteld omdat er geen duidelijkheid is ontstaan omtrent doel en besteding van een door appellante aan haar bankrekening onttrokken bedrag van € 20.000,--. Met appellante was op 8 september 2004 een afspraak gemaakt om op 16 september 2004 voor een gesprek ten kantore van de sociale dienst te verschijnen. Eerst geruime tijd nadat dit gesprek had plaatsgevonden is gebleken dat appellante voormeld bedrag op 15 september 2004 van haar bankrekening had opgenomen. Appellante heeft daarvan tijdens dat gesprek geen mededeling gedaan. Ook nadien heeft zij hieromtrent geen bevredigende verklaring gegeven. Naar het oordeel van de Raad heeft appellante niet aangetoond of aannemelijk gemaakt dat zij het betreffende geldbedrag, dat contant is opgenomen, op 15 september 2004 daadwerkelijk aan [naam neef van appellante] heeft afgedragen. De namens appellante in geding gebrachte verklaring van [naam neef van appellante] ten overstaan van een notaris doet hier niet aan af. Overigens gaat het volgens die verklaring om de opname van een bedrag van € 24.500,--. Er is derhalve geen duidelijkheid ontstaan over de wijze waarop het bedrag is besteed en over de vraag of en in hoeverre appellante ingaande 1 december 2004 nog over (een deel van) dit geld beschikte. De gevolgen hiervan dienen in het kader van de onderhavige wetstoepassing voor rekening van appellante te komen.

De Raad kan zich derhalve met het standpunt van het College verenigen dat niet kan worden vastgesteld of appellante met ingang van 1 december 2004 verkeerde in omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB.

Namens appellante is nog gewezen op een uitspraak van de Raad waarin door een bijstandsgerechtigde een geldbedrag is overgemaakt naar een bankrekening op naam van een andere persoon. De Raad heeft daar toen de conclusie aan verbonden dat de betrokkene niet meer de beschikking had over dat geldbedrag. Naar het oordeel van de Raad gaat de vergelijking met die zaak hier niet op. In die zaak stond immers vast dat de betrokkene zelf niet meer over dat geldbedrag beschikte of kon beschikken doordat die andere persoon beschikkingsbevoegd was geworden. In het geval van appellante is echter geen sprake van overschrijving naar een andere bankrekening en is overigens onduidelijk gebleven wat er met het van de bankrekening opgenomen geldbedrag is gebeurd.

Gelet op het vorenstaande was het College bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de aan appellante verleende bijstand met ingang van 1 december 2004 in te trekken. Onder verwijzing naar hetgeen de Raad hiervoor reeds met betrekking tot het beleid inzake de intrekking van bijstand over een voorafgaande periode heeft overwogen, is de Raad van oordeel dat in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen grond is gelegen voor het oordeel dat het College van deze bevoegdheid geen gebruik heeft kunnen maken. Nu de Raad tot dit oordeel is gekomen zal de Raad, gelet ook op hetgeen hieromtrent namens appellante ter zitting is verklaard, de aan de intrekking voorafgaande opschorting van de bijstand met ingang 1 december 2004 buiten bespreking laten.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en R.H.M. Roelofs en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2007.

(get.) C. van Viegen.

(get.) A.C. Palmboom.

RB2903