Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1290

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-03-2007
Datum publicatie
22-03-2007
Zaaknummer
04-5219 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is terecht aan de besluiten tot toepassing van artikel 44 van de WAO en intrekking van de WAO-uitkering het standpunt ten grondslag gelegd dat de volledige winst van het bedrijf aan betrokkene dient te worden toegerekend?

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/5219 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 16 augustus 2004, 03/1173 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene] (hierna: betrokkene).

Datum uitspraak: 21 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2007. Voor appellant is verschenen A.C.M. van de Pol. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door H.P.C.M. Ebbers, werkzaam bij ASEB consultancy bv te Doetinchem.

II. OVERWEGINGEN

Aan betrokkene is met ingang van 2 februari 1983 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In april 2002 heeft appellant een brief ontvangen waarin is gesteld dat betrokkene al jaren onterecht een WAO-uitkering zou ontvangen. Betrokkene zou het op naam van zijn vrouw staande bedrijf [naam bedrijf] runnen. Een onderzoek door een rapporteur bij de afdeling Bijzonder Onderzoek heeft geleid tot een rapport uitkeringsfraude van 26 maart 2003. Dit rapport heeft de basis gevormd voor de besluiten van appellant van respectievelijk 10, 11, 14 en 22 april 2003. Bij deze besluiten heeft appellant over het jaar 1996 en de jaren 1998 tot en met 2000 toepassing gegeven aan artikel 44 van de WAO, waarbij over 1996 de WAO-uitkering tot uitbetaling kwam als ware betrokkene 35 tot 45% arbeidsongeschikt en over de jaren 1998 tot en met 2000 de WAO-uitkering niet tot uitbetaling kwam. Verder heeft appellant de WAO-uitkering met ingang van 1 januari 2001 ingetrokken, omdat geen relevante mate van arbeidsongeschiktheid meer zou bestaan en de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering over de perioden van 1 augustus 1996 tot en met 31 december 1996 en van 1 januari 1998 tot en met 31 maart 2003 ad € 77.786,11 teruggevorderd. Aan de besluiten tot toepassing van artikel 44 van de WAO en intrekking van de WAO-uitkering ligt het standpunt van appellant ten grondslag dat de volledige winst van [naam bedrijf] aan betrokkene dient te worden toegerekend. Appellant heeft het bezwaar van betrokkene tegen bovengenoemde besluiten van 10, 11, 14 en 22 april 2003 ongegrond verklaard bij besluit van 16 juli 2003 (het bestreden besluit).

De rechtbank heeft het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, appellant opdracht gegeven een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak en bepaald dat het griffierecht ad € 31,- aan betrokkene moet worden vergoed. De rechtbank heeft daarbij, kort samengevat, overwogen dat appellant het voldoende aannemelijk heeft mogen achten dat betrokkene aanzienlijk meer voor [naam bedrijf] heeft gewerkt dan het door hem opgegeven gemiddelde van vijf uren per week. De rechtbank heeft het standpunt van appellant dat de echtgenote van betrokkene geen relevante arbeid heeft verricht niet gevolgd en daartoe overwogen dat een dergelijk standpunt niet (voldoende) wordt gesteund door de resultaten van het fraudeonderzoek, waaruit juist naar voren komt dat de echtgenote van betrokkene eveneens werkzaamheden van economische betekenis voor [naam bedrijf] verrichtte. De rechtbank heeft verder overwogen dat appellant bij het nemen van een nieuw besluit een verdeelsleutel zal dienen vast te stellen voor het bepalen van het aandeel van betrokkene in de door [naam bedrijf] gerealiseerde winst, waarbij het – schattenderwijs vast te stellen – gezamenlijk aantal uren dat is gewerkt door betrokkene en zijn echtgenote als uitgangspunt zou moeten worden genomen en waarbij bij het bepalen van het aandeel van betrokkene in het totale werkpakket zou moeten worden gelet op de aard van het werk van betrokkene in vergelijking met de aard van het werk van zijn echtgenote.

In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij bereid is aan te nemen dat de echtgenote van betrokkene eveneens werkzaamheden voor de onderneming heeft verricht. Appellant acht met 10 uren per week tegen een beloning van een evenredig deel (25%) van het wettelijk minimumloon de inbreng van de echtgenote ruimschoots gewaardeerd. Op basis van dit uitgangspunt zou hoogstens fl 700,00 per maand aan de echtgenote kunnen worden toegerekend, wat geen gevolgen zou hebben voor het berekende verlies aan verdiencapaciteit in de in dit geding relevante jaren.

Betrokkene heeft in verweer zijn standpunt herhaald dat hij niet meer dan gemiddeld vijf uren per week arbeid heeft verricht en dat hij tot een grotere arbeidsprestatie niet in staat is, wat bij de laatste herbeoordeling is vastgesteld. Verder heeft hij aangevoerd dat de winst niet slechts is gerealiseerd door de arbeid van zijn echtgenote, maar tevens door verhuur van bedrijfsruimte, bezorgen van poststukken en rendement op verspreiding. Tenslotte heeft hij verzocht om een vergoeding in de kosten van het gehele proces.

De Raad overweegt als volgt.

Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat betrokkene arbeid heeft verricht ten behoeve van het bedrijf van zijn echtgenote, dat hij niet rechtstreeks inkomen heeft ontvangen, maar indirect wel is verrijkt. Gelet hierop is voldoende grond aanwezig voor toepassing van artikel 44 van de WAO en herziening van de WAO-uitkering na drie jaar toepassing van artikel 44 van de WAO. Partijen verschillen van mening over de vraag hoe de winst die in [naam bedrijf] is gerealiseerd moet worden toegerekend aan betrokkene en zijn echtgenote. De thans door appellant voorgestane wijze van toerekening waarbij de winst wordt toegerekend aan betrokkene, maar een bedrag ter hoogte van 25% van het minimumloon in mindering op de winst wordt gebracht als zijnde de economische waarde van de arbeidsinbreng van de echtgenote acht de Raad niet juist. Het gaat in dit geval om twee samenwerkende echtgenoten, die als zelfstandigen winst uit onderneming hebben gerealiseerd. Niet valt in te zien dat het toerekenen van de winst aan betrokkene op een andere wijze kan geschieden dan de rechtbank heeft voorgeschreven. De Raad merkt daarbij evenals de rechtbank op dat ook het op deze wijze toerekenen een arbitrair karakter heeft, maar dat is in de gegeven situatie onontkoombaar en het gevolg van de handelwijze van betrokkene. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt.

Naar aanleiding van het verweer van betrokkene overweegt de Raad nog het volgende. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant het voldoende aannemelijk heeft mogen achten dat betrokkene aanzienlijk meer voor [naam bedrijf] heeft gewerkt dan het door hem opgegeven gemiddelde van vijf uren per week. Het standpunt van betrokkene dat bij de laatste herkeuring zou zijn vastgesteld dat hij geen arbeidsprestatie van meer dan vijf uur per week kan verrichten deelt de Raad niet. De verzekeringsarts heeft na onderzoek van betrokkene in oktober 2000 een belastbaarheidspatroon opgesteld en daarin geen urenbeperking opgenomen. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens na raadpleging van het Functie Informatie Systeem geconcludeerd dat er onvoldoende functies te selecteren zijn, onder meer vanwege de opleidingseis.

De Raad acht voorts de schatting van betrokkene van het aantal uren dat zijn echtgenote zou hebben gewerkt niet reëel, zowel gelet op de inhoud van de getuigenverklaringen die zijn opgenomen in het rapport uitkeringsfraude van 26 maart 2003, als op de eerder door betrokkene zelf gegeven verklaring dat zijn echtgenote ongeveer tien uur in de week werkzaam was voor [naam bedrijf].

De Raad kan evenmin het standpunt van betrokkene onderschrijven dat de winst zou moeten worden gecorrigeerd voorzover die zou zijn gegenereerd door de verhuur van bedrijfsruimte, het bezorgen van poststukken en het rendement op verspreiding. Het gaat hier om activiteiten die onder de vlag van [naam bedrijf] hebben plaatsgevonden en hebben bijgedragen aan het bedrijfsresultaat. Een zelfstandige kan winst maken, ook als daar geen fysieke arbeid tegenover staat.

Ten overvloede merkt de Raad nog op dat appellant de mate van arbeidsongeschiktheid in de in geding zijnde jaren heeft vastgesteld door middel van een maandloonvergelijking. Gelet op het per 1 januari 1998 geldende Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong (Stb. 1997, 801) en onder verwijzing naar zijn uitspraak van 27 april 2004 (LJN: AP0420) stelt de Raad vast dat met ingang van 1 januari 1998 de mate van arbeidsongeschiktheid dient te worden berekend door middel van een uurloonvergelijking.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Voor een veroordeling in de proceskosten van betrokkene in beroep en bezwaar ziet de Raad geen mogelijkheid, nu de rechtbank geen proceskostenveroordeling heeft uitgesproken, betrokkene geen hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft ingesteld en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van

€ 428,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en M.C. Bruning en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2007.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) P. van der Wal.