Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1271

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2007
Datum publicatie
22-03-2007
Zaaknummer
04-6632 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6632 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 26 oktober 2004, 04/1054 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.C.M. Bonnier, advocaat te Wijchen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2007. Voor appellant is zijn voornoemde gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. L. Smid.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was fulltime werkzaam als isolatiemedewerker met een enigszins aangepast takenpakket, toen hij laatstelijk op 27 juni 2002 uitviel met klachten van zijn rechterschouder.

Bij primair besluit van 16 september 2003 heeft het Uwv geweigerd appellant aansluitend aan de zogenaamde wachttijd een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, omdat hij met voor hem passende functies nog een zodanig inkomen kan verwerven dat zijn verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% bedraagt. Bij het bestreden besluit van 13 april 2004 zijn de bezwaren van appellant tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Namens appellant is tegen laatstgenoemd besluit beroep ingesteld, welk beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond is verklaard. De rechtbank kan zich verenigen met de voor appellant vastgestelde beperkingen en heeft onder meer overwogen dat daarbij ook de informatie is betrokken van de behandelend orthopedisch chirurg en fysiotherapeut. Voorts meent de rechtbank dat het Uwv voldoende voor appellant geschikte functies heeft geselecteerd, waarmee hij een zodanig inkomen kan verwerven dat zijn mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt. De rechtbank heeft daarbij in haar beschouwing betrokken dat de functies productiemedewerker textiel en medewerker tuinbouw appellant niet kunnen worden voorgehouden omdat niet vast staat dat deze functies ten tijde van belang in dit geding nog actueel waren. Naar het oordeel van de rechtbank resteren nog voldoende functies die appellant kan verrichten, waarbij ook mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van appellant gemotiveerd onder ogen zijn gezien. In het bijzonder heeft de rechtbank de overschrijding op het aspect schroefbeweging bij de functie productiemedewerker textiel beoordeeld.

In hoger beroep is namens appellant in hoofdzaak aangevoerd dat het Uwv in het licht van de verklaring van appellants fysiotherapeut J. van Wijchen d.d. 25 februari 2004 de vastgestelde mate waarin appellant beperkt is om werkzaamheden te verrichten onvoldoende heeft gemotiveerd. De bezwaarverzekeringsarts S. Gommers had appellant nader moeten onderzoeken. Voorts is aangevoerd dat de geduide functies voor appellant te zwaar zijn.

Met de rechtbank en met overneming van de betreffende overwegingen is de Raad van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de beperkingen van appellant door het Uwv zijn onderschat. Daar voegt de Raad nog het volgende aan toe. Bij het opstellen van de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 17 juli 2003 zijn de resultaten van het eigen onderzoek d.d. 17 juli 2003 van de verzekeringsarts C. van der Smagt-Smeets en de informatie

d.d. 16 februari 2001 van de orthopedisch chirurg dr. A.B. Wymenga op zorgvuldige wijze betrokken. Ook de Raad is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts S. Gommers op goede gronden in de informatie van de fysiotherapeut J. van Wijchen geen aanleiding heeft gezien tot bijstelling van de genoemde FML of tot het verrichten van een nader onderzoek. Evenals de rechtbank is ook de Raad van oordeel dat de geselecteerde functies die resteren na het schrappen van twee functies, omdat deze ten tijde van belang niet voldoende actueel waren, door appellant moeten kunnen worden vervuld. De Raad schaart zich daarbij achter de overwegingen van de rechtbank aangaande de mogelijke overschrijding van de belastbaarheid van appellant bij het uitoefenen van de functie van productiemedewerker textiel.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter, en J.W. Schuttel en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.