Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1202

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-03-2007
Datum publicatie
22-03-2007
Zaaknummer
05-671 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAO. Juistheid belastbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/671 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 december 2004, 03/3815 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. van Andel, advocaat te Driebergen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2006. Appellante is in persoon verschenen bijgestaan door haar gemachtigde mr. Van Andel, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

Appellante was werkzaam als voedingsassistente toen zij zich op 1 december 2001 ziek meldde in verband met nekklachten na een verkeersongeval op 30 november 2001.

Appellante is op 12 september 2002 onderzocht door verzekeringsarts T. van Burkom. Deze arts concludeerde op basis van eigen onderzoek en na dossieronderzoek, waaronder een op 13 mei 2002 gedateerde rapportage van PELS Instituut, dat appellante behoudens een pijnlijke nek geen afwijkingen heeft en dat zij aangewezen is op werkzaamheden die fysiek licht zijn en de nek niet belasten. Appellante is duurzaam inzetbaar voor arbeid conform de op 12 september 2002 vastgestelde (Kritische) Functionele Mogelijkheden Lijst ((K)FML). Arbeidsdeskundige A.J. van der Veen oordeelde vervolgens dat appellante gelet op haar beperkingen ongeschikt te achten was voor haar eigen werk, maar dat er aan de hand van de arbeidsmogelijkhedenlijst van 15 november 2002 een vijftal passende functies geselecteerd konden worden, waarbij uitgaande van de middelste van de drie hoogstverlonende functies er geen verlies aan verdiencapaciteit resteerde. Het Uwv heeft appellante daarop bij besluit van 22 november 2002 medegedeeld dat haar, in aansluiting op het einde van de wettelijke wachttijd op 29 november 2002, geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) wordt toegekend.

Appellante heeft in bezwaar de juistheid van de vaststelling van haar functionele mogelijkheden in de FML betwist. Appellante acht zich zwaarder beperkt en verwijst ter onderbouwing naar een op 13 december 2002 gedateerde rapportage die is opgemaakt naar aanleiding van een bij PELS Instituut ondergaan arbeidsexploiratie-onderzoek. In deze Functionele Capaciteit Evaluatie volgens de Ergo-Kit methodiek wordt geconcludeerd dat appellante, bij het verrichten van handelingen op borst-, schouder- en kniehoogte en tillen, gehinderd wordt door nek-, schouder- en lage rugpijn en dat zij maar beperkt kan zitten of staan. Voorts wordt geconcludeerd dat zij na fysieke inspanning in hoge mate vermoeid is en twee dagen nodig heeft om daarvan te herstellen. Appellante acht zich hierdoor beperkt inzetbaar voor arbeid en stelt slechts gedurende twee dagen per week maximaal 33 tot 50% van een werkdag arbeid te kunnen verrichten die voldoet aan de voorwaarde dat zitten, lopen en staan afgewisseld wordt. De resterende capaciteiten van appellante zouden voorts aangewend moeten worden om de fysieke belasting te vergroten.

Bezwaarverzekeringsarts W. Ebbelaar heeft op basis van eigen onderzoek op 14 mei 2003, dossieronderzoek en kennisname van voornoemde rapportage van PELS Instituut aanleiding gezien het oordeel van de primaire verzekeringsarts te onderschrijven met de aanvulling dat appellante vanwege medicatiegebruik beperkt is ten aanzien van verhoogd persoonlijk risico. Ebbelaar heeft geen aanwijzingen gevonden om het ontbreken van duurzaam benutbare mogelijkheden aan te nemen. Evenmin heeft Ebbelaar aanwijzingen gevonden om een urenbeperking aan te nemen, omdat er met de vastgestelde functionele mogelijkheden in voldoende mate tegemoet wordt gekomen aan de door appellante geclaimde, maar niet geobjectiveerde, vermoeidheidsklachten. Ook de behandelfrequentie bij PELS Instituut heeft hem geen aanleiding gegeven een urenbeperking aan te nemen omdat hem uit navraag gebleken is dat appellante twee keer per week gedurende gemiddeld 45 minuten fysiotherapie had. Een dergelijke behandeling heeft volgens Ebbelaar geen invloed op de beschikbaarheid van appellante voor arbeid. Nader ingekomen informatie van PELS Instituut van 28 mei 2003 heeft de bezwaarverzekeringsarts E.G. van der Jagt geen aanleiding gegeven van voornoemd standpunt af te wijken.

Nadat de bezwaararbeidsdeskundige R. Meere geoordeeld had dat de geduide functies onveranderd gehandhaafd konden worden, heeft het Uwv bij besluit op bezwaar van 11 juli 2003 (hierna: het bestreden besluit) zijn primaire besluit gehandhaafd.

In beroep heeft appellante ter ondersteuning van haar grief dat zij meer beperkt is de rechtbank een op 15 juli 2004 gedateerde Rapportage Medisch Advies ten behoeve van de Sociale Dienst doen toekomen, waarin is gesteld dat appellante niet belastbaar is te achten voor arbeid.

Het Uwv heeft de rechtbank desgevraagd nog een nadere motivering verstrekt ten aanzien van de totstandkoming van het besluit met gebruikmaking van het CBBS.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven. De door appellante ingebrachte rapportages van PELS Instituut en de Rapportage Medisch Advies hebben de rechtbank geen aanleiding gegeven te veronderstellen dat appellante meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat conform jurisprudentie van de Raad de uitkomsten van onderzoeken die verricht zijn middels een arbeidsexploratie-onderzoek, zoals het onderzoek van PELS Instituut, met terughoudendheid dienen te worden gehanteerd en dat de Rapportage Medisch Advies geen betrekking heeft op de medische situatie van appellante op de datum in geding. De rechtbank heeft tot slot geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de voorgehouden functies niet berekend zouden zijn voor de belastbaarheid van appellante.

Appellante stelt in hoger beroep dat de rechtbank niet zomaar aan de inhoud van de rapportage van PELS Instituut voorbij had mogen gaan met het argument dat het onderzoek verricht is door middel van een arbeidsexploratie-onderzoek. De rechtbank had zich op zijn minst moeten vergewissen van het feit dat appellante de uitslagen van het onderzoek al dan niet bewust heeft willen beïnvloeden dit volgt niet uit de rapportage, noch hebben medewerkers van Pels Instituut dit aangegeven. Tot slot voert appellante aan dat haar medische situatie op 15 juli 2004 gelijk was aan die op de datum in geding, zodat betekenis toegekend kan worden aan de Rapportage Medisch Advies ten behoeve van de Sociale Dienst.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad is evenals de rechtbank en op de door haar aangegeven gronden van oordeel dat het bestreden besluit op een juiste medische grondslag berust. De Raad is niet gebleken dat het medisch onderzoek onvolledig of onzorgvuldig is geweest. Verzekeringsarts Van Burkom heeft na eigen onderzoek bij appellante behoudens een pijnlijke nek geen afwijkingen gevonden. Hij heeft appellante, zoals hiervoor is weergegeven, duurzaam belastbaar geacht voor werkzaamheden die fysiek licht zijn en de nek niet belasten. Met uitzondering van een aanvullende beperking ten aanzien van persoonlijk risico heeft bezwaarverzekeringsarts Ebbelaar in het bezwaar van appellante en het op 13 december 2002 opgestelde rapport van PELS Instituut, geen aanleiding gezien af te wijken van het oordeel van Van Burkom. Ebbelaar constateerde bij eigen onderzoek dat er sprake was van een hypertonie van de nek- en schoudermusculatuur en dat er bij onderzoek aan de wervelkolom en schouders sprake was van enige lichte bewegingsbeperkingen. De Raad merkt op dat voor zover er al aangenomen zou moeten worden dat het onderzoek door de primaire verzekeringsarts onvolledig is geweest, dit in bezwaar in ieder geval is hersteld. De Raad overweegt voorts dat ook uit de op 13 mei 2002 gedateerde rapportage van PELS Instituut blijkt dat destijds uit een X-CWK en Scan geen bijzonderheden aan de rug en nek waren gebleken.

Nu appellante per datum in geding niet was opgenomen in een ziekenhuis, niet bedlegerig was noch ADL-afhankelijk, en nu er voorts geen sprake was van onvermogen ten aanzien van persoonlijk of sociaal functioneren, kan naar het oordeel van de Raad de stelling van appellante dat uit de rapportage van PELS Instituut blijkt dat zij niet inzetbaar was voor arbeid niet worden onderschreven. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de terughoudendheid die betracht moet worden bij het toekennen van waarde aan arbeidsexploratie-onderzoeken, waaronder onderzoeken verricht volgens de gestandaardiseerde basisregels van de Ergo-Kit. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van

8 november 2006, LJN AZ2034, waarin is overwogen dat in verband met de gebruikte onderzoeksmethode de onderzochte persoon zelf, al dan niet bewust, in enige mate invloed zal kunnen uitoefenen op het onderzoek en aldus niet voorkomen zal kunnen worden dat de resultaten ervan mede afhankelijk zijn van diens medewerking aan het onderzoek. Anders dan appellante is de Raad niet van oordeel dat de rechtbank zich eerst had moeten of zich zelfs had kunnen vergewissen van het feit dat appellante de uitslagen van het onderzoek al dan niet bewust heeft willen beïnvloeden. De Raad merkt echter op dat zowel de (bezwaar)verzekeringsarts als de rechtbank de rapportage van PELS Instituut wel op relevantie hebben meegewogen in hun beoordeling.

De Raad is, evenals het Uwv, voorts van oordeel dat er geen aanleiding is voor het in acht nemen van een urenbeperking nu er met de vastgestelde functionele mogelijkheden in voldoende mate tegemoet wordt gekomen aan de door appellante geclaimde vermoeidheidsklachten en de duur van de behandeling bij PELS Instituut geen invloed heeft op de beschikbaarheid van appellante voor arbeid. Aan hetgeen de rechtbank heeft overwogen inzake de op 15 juli 2004 gedateerde Rapportage Medisch Advies ten behoeve van de Sociale Dienst voegt de Raad nog tot dat het beoordelingskader ook een andere is.

De Raad merkt tot slot, mede in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), op dat hem niet gebleken is dat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onjuist is en dat de voorgehouden functies niet berekend zijn voor de belastbaarheid van appellante.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en E. Dijt en O.J.D.M.L. Jansen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2007.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.