Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1036

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-03-2007
Datum publicatie
20-03-2007
Zaaknummer
06-3576 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering WUV-uitkering en -voorziening. Slachtoffer van vervolging?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3576 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 15 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep doen instellen tegen verweersters besluit van 11 mei 2006, kenmerk JZ/I/60/2006, ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2007. Aldaar is appellant in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.H.J. Toxopeus, advocaat te Zoetermeer. Verweerster heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, geboren in 1939 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in juli 2005 bij verweerster een aanvraag ingediend om als vervolgde in de zin van de Wet in aanmerking te komen voor een periodieke uitkering en een voorziening voor deelname aan het maatschappelijk verkeer. In dit verband heeft appellant aangegeven dat hij tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië is geïnterneerd geweest in een kamp Eilandenbuurt te Malang. Deze aanvraag van appellant is afgewezen bij besluit van verweerster van 30 november 2005, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op grond van de overweging dat niet is aangetoond of aannemelijk geworden dat appellant vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of, gelet op hetgeen appellant in beroep heeft doen aanvoeren, dit besluit in rechte stand kan houden. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

Ingevolge artikel 2 van de Wet wordt, voor zover hier van belang, onder vervolging verstaan: handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië, welke werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun Europese afkomst of Europees georiënteerde instelling en welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking werd beoogd, met inbegrip van het transport naar en tussen dergelijke verblijfplaatsen.

Op grond van de beschikbare gegevens moet de Raad met verweerster vaststellen dat niet blijkt dat appellant tijdens de Japanse bezetting vervolging als hier bedoeld heeft ondergaan. Daartoe neemt de Raad in aanmerking dat bij het Nederlandse Rode Kruis omtrent appellant geen gegevens met betrekking tot de periode van de Japanse bezetting bekend zijn en voorts dat uit historische bronnen niet blijkt van het bestaan van een Japans interneringskamp Eilandenwijk te Malang. Ook overigens is uit de door verweerster geraadpleegde bronnen geen bevestiging verkregen van de door appellant gestelde internering.

Appellant heeft ter ondersteuning van zijn beroep doen verwijzen naar de lotgevallen van zijn zuster [naam zuster], die hetzelfde heeft meegemaakt als appellant en aan wie wel een uitkering op grond van de Wet zou zijn toegekend.

Met betrekking tot deze stelling van appellant overweegt de Raad dat uit de geding-stukken zonneklaar blijkt dat ten aanzien van eisers zuster ook niet van vervolging is gebleken en dat verweerster bij besluit van 2 oktober 1995 heeft geoordeeld dat deze zuster niet als vervolgde in de zin van de Wet kan worden erkend, omdat niet is komen vast te staan dat zij vrijheidsberoving in de zin van de Wet heeft ondergaan. De omstandigheid dat deze zuster op grond van haar ervaringen tijdens de Bersiap periode onder de werking van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (WUBO) is gebracht, is voor het onderhavige geschil van geen waarde, nu toepassing van de Wet is beperkt tot de periode van de Japanse bezetting en vrijheidsberoving die tijdens die periode heeft plaatsgevonden. Overigens zijn in het geval van appellant deze zelfde ervaringen voor de toepassing van de WUBO als vaststaand aangenomen.

Hetgeen namens appellant overigens naar voren is gebracht, kan niet tot een ander oordeel leiden.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2007.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) W.M. Szabo.