Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA0983

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-03-2007
Datum publicatie
19-03-2007
Zaaknummer
06-2443 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is het Uwv bij het vaststellen van het WAO-dagloon waarop het WW-dagloon is gebaseerd terecht uitgegaan van de functie van vakkenvuller, waarin betrokkene in 1996 werkzaam was?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2443 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s- Gravenhage van 10 maart 2006 , 05/4735

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv),

Datum uitspraak: 8 maart 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.B. de Jong, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2007, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. L.B. de Jong, voornoemd, als haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. de Bluts, werkzaam bij het Uwv.

II. OVERWEGINGEN

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

Appellante was als vakkenvuller werkzaam voor 32 uur per week. Op 14 augustus 1996 is zij wegens ziekte uitgevallen. Met ingang van 13 augustus 1997 heeft het Uwv appellante een uitkering ingevolge de WAO toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%, welke is berekend naar een dagloon van € 51,30. Per 22 januari 1998 is appellante vervolgens geschikt geacht voor passende functies en is haar theoretische arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 35-45%.

De in verband met de in de periodes van 1 september 1999 tot 13 september 2000, van

19 september 2000 tot december 2000 en vanaf november 2001 tot 23 juli 2002 verrichte fulltime werkzaamheden als beveiligingsbeambte respectievelijk chauffeur / koerier ontvangen inkomsten zijn onder toepassing van artikel 44 van de WAO gekort op de WAO-uitkering van appellante zodat naar fictieve arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. Naar aanleiding van haar definitieve uitval per 23 juli 2002 wordt appellante bij besluit van 21 maart 2003 onveranderd 35-45% arbeidsongeschikt geacht.

Naar aanleiding van het besluit van 8 augustus 2003, waarbij de WAO-uitkering van appellante met ingang van 25 september 2003 wordt ingetrokken omdat appellante op en na die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht, vraagt appellante een uitkering ingevolge de WW aan. In afwachting van de behandeling van het bezwaar tegen het hiervoor genoemde intrekkingsbesluit WAO wordt appellante bij besluit van

30 september 2003 ingaande 22 juli 2003 in afwachting van de bezwaarprocedure inzake de WAO-uitkering een voorschot toegekend. Bij beslissing van 1 maart 2004 wordt de intrekking van de WAO-uitkering niet gehandhaafd en wordt appellante vanaf

25 september 2003 onveranderd 35-45% arbeidsongeschikt geacht. Haar WAO-uitkering blijft ongewijzigd € 13,30 bruto per uitkeringsdag. In het kader van de wettelijke herbeoordeling wordt appellante vervolgens bij besluit van 2 april 2004 ongewijzigd

35-45% arbeidsongeschikt geacht. Tegen deze twee laatstgenoemde besluiten heeft appellante geen bezwaar ingesteld.

Bij besluit van 7 oktober 2004 heeft het Uwv in verband met het toekennen van een gedeeltelijke WAO-uitkering per 25 september 2003 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45% aan appellante een WW-uitkering toegekend en daarbij het dagloon met toepassing van artikel 14 van de Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (hierna: Dagloonregels IWS) vastgesteld op € 30,79. Bij besluit van dezelfde datum heeft het Uwv de te veel betaalde voorschotten ten bedrage van € 8.689,63 bruto over de periode van 25 september 2003 tot en met

17 september 2004 van appellante teruggevorderd.

Bij het thans bestreden besluit van 21 juni 2005 heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen laatstgenoemde besluiten van 7 oktober 2004 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt - voor zover betrekking hebbend op de hoogte van het WW-dagloon - het standpunt van het Uwv ten grondslag dat in geval van een samenloop van een WW-uitkering met een WAO-uitkering speciale dagloonbepalingen gelden. Voor de vaststelling van het WW-dagloon is de hoogte van het WAO-dagloon leidend, zoals dat gold op het moment van (af)schatting, te weten € 51,30.

De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden.

Naar het oordeel van appellante is het Uwv bij de vaststelling van het WAO-dagloon ten onrechte uitgegaan van de functie van vakkenvuller voor 32 uur per week. Na haar uitval voor haar werk in de functie van beveiligingsbeambte is er per 22 juli 2003 een nieuwe einde wachttijd bereikt waarna haar recht op een WAO-uitkering opnieuw beoordeeld had moeten worden met inachtneming van de hogere verdiensten die zij uit deze werkzaamheden ontving vóór haar uitval. Dit dient volgens appellante te leiden tot een ander dagloon, daar de verdiensten uit de laatstelijk verrichte werkzaamheden aanzienlijk hoger zijn.

De Raad overweegt het volgende.

In geschil is niet zozeer de berekening van het WW-dagloon aan de hand van artikel 14 van de Dagloonregels IWS, maar het antwoord op de vraag of het Uwv bij het vaststellen van het WAO-dagloon waarop het WW-dagloon is gebaseerd terecht is uitgegaan van de functie van vakkenvuller, waarin appellante in 1996 werkzaam was.

De rechtbank heeft deze vraag in bevestigende zin beantwoord en daartoe bij de aangevallen uitspraak, waarin appellante is aangeduid als eiseres en het Uwv als verweerder het volgende overwogen:

“Vaststaat dat eiseres geen bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten van

1 maart 2004 en 2 april 2004, waarbij de WAO-uitkering per uitkeringsdag is vastgesteld op € 13,30 bruto en waarmee blijkens de brief van 4 april 2005 van verweerder het WAO-dagloon € 51,30 bedraagt. Deze besluiten zijn onherroepelijk geworden. Eiseres heeft pas na het bestreden besluit van

21 juni 2005, bij brief van 22 juni 2005 om herziening van het besluit van

2 april 2004 verzocht. Gelet hierop mocht verweerder voor de vaststelling van het WW-dagloon bij het besluit van 17 oktober 2004 en het bestreden besluit van 21 juni 2005 uitgaan van het WAO-dagloon van € 51,30. Uitgaande van dit WAO-dagloon en met inachtingneming van hetgeen is bepaald in artikel 14, eerste lid, van de Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid heeft verweerder het WW-dagloon op € 30,79 bruto vastgesteld. De berekening van het WW-dagloon aan de hand van genoemd artikellid als zodanig is niet door eiseres betwist en ook de rechtbank is niet gebleken dat verweerder dit artikellid onjuist heeft toegepast.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit het WW-dagloon dan ook terecht op € 30,79 bruto gehandhaafd.

Al hetgeen eiseres heeft aangevoerd te onderbouwing van haar stellingen dat het WAO-dagloon niet juist is vastgesteld en dat verweerder is uitgegaan van een onjuiste maatvrouw, dient in het kader van haar verzoek om herziening van het besluit van 2 april 2004 aan de orde te komen en niet bij de beoordeling van het nu voorliggende bestreden besluit.”.

De Raad onderschrijft dit standpunt van de rechtbank alsmede de hiervoor aangehaalde overwegingen die de rechtbank daaraan ten grondslag heeft gelegd. Hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht, in essentie een herhaling van hetgeen in eerste aanleg is aangevoerd, heeft de Raad niet tot een andersluidend oordeel kunnen brengen.

Nu vast staat dat aan appellante te hoge voorschotten op een WW-uitkering is betaald, staat daarmee tevens vast dat als gevolg daarvan een deel van die voorschotten onverschuldigd is betaald. Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de WW is het Uwv gehouden het onverschuldigde betaalde van appellante terug te vorderen. De Raad is niet gebleken dat het teruggevorderde bedrag niet juist zou zijn berekend. Evenals de rechtbank acht de Raad geen dringende redenen in de zin van artikel 36, vierde lid, van de WW aanwezig.

Het betoog ter zitting van appellante dat door zelf aan te geven dat zij te veel voorschot WW had ontvangen het recht tot terugvordering geheel of gedeeltelijk moet worden ontzegd, kan de Raad niet volgen. Indien aan de voorwaarden voor terugvordering is voldaan, is het Uwv immers gehouden daartoe over te gaan.

De Raad concludeert dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en

N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2007.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) M. Pijper.

BKH 080307