Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA0960

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2007
Datum publicatie
19-03-2007
Zaaknummer
04-6793 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6793 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 november 2004, 03/1722 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. dr. M.F. Vermaat, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2007. Partijen zijn, met schriftelijke kennisgeving, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Appellante heeft op 19 mei 1993 in verband met psychische klachten haar werkzaamheden van leidinggevende kraamzorg gestaakt. Na ommekomst van de wettelijke wachttijd van 52 weken is zij met ingang van 18 mei 1994 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

In dit geding is thans nog aan de orde de vraag of bij het bestreden besluit van

22 september 2004, onder gegrondverklaring van het tegen het besluit van 29 juli 2002 gemaakte bezwaar, terecht de WAO-uitkering van appellante met ingang van

24 september 2002 is herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, beslissende op de door appellante aangevoerde grieven tegen de medische grondslag van het bestreden besluit, als haar oordeel gegeven geen aanleiding te zien deze voor onjuist te houden en het bestreden besluit op die grond in stand gelaten.

In hoger beroep heeft appellante doen aanvoeren, samengevat weergegeven, dat de verzekeringsarts Van Zelst bij zijn onderzoek op 7 juni 2002 het inwinnen van inlichtingen bij de behandelende sector niet achterwege had mogen laten, dat de door appellante in de bezwaarfase van de besluitvorming ingezonden medische informatie niet door de bezwaarverzekeringsarts is beoordeeld en dat zulks uiteindelijk eerst door de bezwaarverzekeringsarts Greven bij rapport van 29 juli 2003 is geschied, nadat appellante beroep bij de rechtbank had ingesteld.

Daaromtrent overweegt de Raad dat het bestreden besluit in de plaats is gekomen van een eerder besluit op bezwaar van 4 maart 2003 en dat hangende het beroep tegen dat besluit het rapport van 29 juli 2003 van de bezwaarverzekeringsarts Greven aan de rechtbank is gezonden. Dat neemt niet weg dat dit rapport is opgemaakt voorafgaande aan het thans bestreden besluit, zodat bij de totstandkoming daarvan daarmee rekening is kunnen worden gehouden.

Tussen partijen is niet in geschil dat deze bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport gemotiveerd is ingegaan op de van de zijde van appellante ingezonden inlichtingen. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat in de bezwaarfase niet een zorgvuldige heroverweging van de medische grondslag van de arbeidsongeschiktheidsschatting heeft plaatsgevonden.

Daaraan doet niet af dat de bezwaarverzekeringsarts heeft volstaan met dossieronderzoek en appellante niet zelf heeft onderzocht, waardoor mogelijk subjectieve elementen in de beoordeling door de primaire verzekeringsarts zouden kunnen worden geƫlimineerd, zoals door appellante is aangevoerd. Daarlatend dat niet in alle omstandigheden een bezwaarverzekeringsarts uit zorgvuldigheidsoverwegingen gehouden is een verzekerde aan een eigen medisch onderzoek te onderwerpen, wijst de Raad er in dit geval op dat de herbeoordeling in de bezwaarfase niet uitsluitend is geschied op basis van de resultaten van het onderzoek van de primaire verzekeringsarts, maar dat daarbij de inlichtingen uit de behandelende sector juist centraal hebben gestaan.

Naar in het hiervoor overwogene al besloten ligt acht de Raad zich over de gezondheidstoestand van appellante ten tijde hier in geding voldoende voorgelicht en heeft hij geen termen aanwezig geacht voor een medisch onderzoek door een deskundige als door appellante verzocht.

Ten slotte overweegt de Raad nog dat de enkele omstandigheid dat appellante inmiddels bij besluit van 11 april 2006 met ingang van 8 mei 2003 weer in aanmerking is gebracht voor een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, niet impliceert dat het thans bestreden besluit, dat ziet op de datum

24 september 2002, op een onjuiste medische grondslag berust.

Het hoger beroep treft geen doel. De aangevallen uitspraak komt mitsdien voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en

A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

JK/2022007