Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA0958

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2007
Datum publicatie
19-03-2007
Zaaknummer
04-6652 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6652 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 25 november 2004, 04/420 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.A. van der Kleij, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2007, waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Kleij. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M.H. Rokebrand.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, die sinds mei 2001 werkzaam was als schoonmaakster voor twee uur per dag gedurende vijf dagen per week, is op 13 februari 2002 uitgevallen met hoofdpijn- en duizeligheidsklachten. Nadien maakt zij tevens melding van knieklachten. In het kader van de einde wachttijdbeoordeling is appellante op 10 juni 2003 onderzocht door verzekeringsarts J. Rietkerk die tot de conclusie komt, nadat nog informatie is ingewonnen bij de behandelend specialisten van appellante, dat zij in staat is tot niet stresserend en kniesparend werk. De verzekeringsarts heeft de bij appellante gevonden beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Vervolgens heeft arbeidsdeskundige G. Bijstra appellante op 3 juli 2003 gesproken en heeft naar aanleiding van de FML geconcludeerd dat appellante met de vastgestelde beperkingen in staat moet worden geacht haar eigen werk van schoonmaakster te verrichten. In dat verband heeft de arbeidsdeskundige met de werkgever van appellante contact opgenomen. De werkgever heeft in dat gesprek aangegeven dat appellante de lichste kantoorschoonmaakwerkzaamheden heeft verricht, waarbij wordt samengewerkt met meerdere collega’s. Tevens heeft de werkgever vermeld dat voor appellante voldoende mogelijkheden zijn te hervatten in haar eigen werk.

De arbeidsdeskundige heeft voorts met inachtneming van de beperkingen nog een aantal functies geduid waarmee appellante een zodanig inkomen kan verdienen dat zij niet langer arbeidsongeschikt kan worden geacht.

Bij besluit van 9 juli 2003 is geweigerd aan appellante na 12 februari 2003 een uitkering ingevolgde de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen.

Appellante heeft zich niet met deze beslissing kunnen verenigen en heeft onder andere aangevoerd dat zij lichamelijk, met name vanwege hoofd-, nek- en rugklachten, niet in staat is om te werken. Tevens heeft zij vermeld dat zij onder behandeling is van een specialist en is doorverwezen naar een fysiotherapeut. Bij besluit op bezwaar van

18 maart 2004, hierna: het bestreden besluit, is op basis van de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts R.J. van den Oever, de primaire beslissing heroverwogen en is het bezwaar ongegrond verklaard.

In beroep heeft appellante de bezwaren herhaald. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep is, voor zover voor de beoordeling in dit geding van belang, namens appellante aangevoerd dat zij haar voormalige werkzaamheden en de geduide functies met beperkingen niet kan verrichten.

Naar het oordeel van de Raad hebben de (bezwaar)verzekeringsartsen een zorgvuldig onderzoek naar de klachten van appellante ingesteld. Uit de stukken blijkt dat op verzoek van verzekeringsarts J. Rietkerk, informatie is verkregen van chirurgen A.S.N. Hirzalla en Y. Gerçek en dat deze informatie is betrokken bij het standpunt van de verzekerings-arts. De arbeidsongeschiktheidschatting berust dan ook op een deugdelijke medische grondslag. Daarbij weegt mee, dat van de zijde van appellante in beroep noch in hoger beroep nadere medische gegevens zijn overgelegd die aanwijzingen bevatten voor het oordeel dat appellante in objectief-medische zin op de hier in geding zijnde datum ernstiger beperkt is te achten dan door de (bezwaar)verzekeringsartsen is aangenomen.

Ook ten aanzien van de arbeidskundige kant van de schatting heeft de Raad in de stukken geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat deze op een onjuiste grondslag zou berusten.

Immers, naar vaste jurisprudentie van de Raad rechtvaardigt geschiktheid voor maatgevende arbeid in beginsel de vooronderstelling dat van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO geen sprake is. Dit is slechts anders indien dit werk niet meer voorhanden is en zich in het concrete geval bijzondere omstandigheden voordoen welke de juistheid van die vooronderstelling aantasten. Daarvan is naar het oordeel van de Raad in het onderhavige geval geen sprake. Uit de stukken blijkt dat arbeidsdeskundige

G. Bijstra onderzoek heeft gedaan naar de maatgevende functie bij de werkgever en heeft geconcludeerd heeft dat appellante met de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen haar eigen werkzaamheden kan verrichten. Tevens is besproken dat er voor appellante voldoende mogelijkheden zijn tot het hervatten van het eigen werk.

De Raad verenigt zich met dit standpunt en merkt daarbij op dat gelet op de omvang van appellantes maatgevende arbeid, namelijk twee uur per dag, gedurende vijf dagen per week, er voldoende tijd overblijft voor eventuele recuperatie.

Gelet op al het vorenstaande is de Raad niet gebleken dat appellante de werkzaamheden behorende bij haar maatgevende functie niet zou kunnen verrichten. De door het Uwv verrichte theoretische arbeidsongeschiktheidsbeoordeling laat de Raad dan ook buiten bespreking. Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat op goede gronden een WAO-uitkering aan appellante is geweigerd.

Nu ook overigens in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en

A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

JK/2022007