Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA0928

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2007
Datum publicatie
19-03-2007
Zaaknummer
04-6827 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering. Ook in hoger beroep is betrokkene er niet in is geslaagd haar eigen opvatting inzake de voor haar op de datum in geding geldende fysieke en/of psychische beperkingen aan de hand van objectief-medische gegevens te onderbouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6827 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 8 november 2004, SBR 03/2935 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 maart 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.G.M. Lodder, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en vragen van de Raad beantwoord.

Namens appellante zijn nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door

mr. B. Mor-Yazir, kantoorgenoot van mr. Lodder, voornoemd. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door

mr. M.H.J. van Kuilenburg.

II. OVERWEGINGEN

De feiten en omstandigheden van het onderhavige geval laten zich, voor zover van belang, als volgt weergeven.

Appellante is in een voltijdse omvang werkzaam geweest als medewerkster in een naaiatelier. Na uit die functie werkloos te zijn geworden, is appellante vanwege het Uwv in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Vanuit die uitkeringssituatie heeft appellante zich, ter verkrijging van een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), op 22 januari 2002 bij het Uwv gemeld met klachten van verschillende aard, onder meer hoofdpijnklachten, benauwdheidsklachten en psychische klachten.

Bij besluit van 22 januari 2003 heeft het Uwv, in lijn met de uitkomsten van het plaatsgevonden hebbende verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, geweigerd om appellante in aansluiting op de wettelijke wachttijd, met ingang van 21 januari 2003, in aanmerking te brengen voor de gevraagde WAO-uitkering, op de grond dat zij met verschillende andere loondienstfuncties nog een zodanig inkomen kan verwerven dat zij in vergelijking met het maatgevende inkomen geen voor de toepassing van de WAO relevant verlies aan verdiencapaciteit lijdt.

Naar aanleiding van het door appellante tegen het besluit van 22 januari 2003 gemaakte bezwaar, heeft de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv een onderzoek ingesteld. Van dat onderzoek maakte onder meer deel uit het inwinnen van inlichtingen omtrent appellante bij de haar behandelende psychiater C. Kok. De bezwaarverzekeringsarts heeft geen aanleiding gevonden om de bevindingen en conclusies van de primaire verzekeringsarts niet te volgen.

Bij besluit van 30 oktober 2003, hierna het bestreden besluit, heeft het Uwv hierop het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft geoordeeld dat in voldoende mate is rekening gehouden met de beperkingen van appellante. De rechtbank heeft daarbij onder meer van belang geacht dat de bezwaarverzekeringsarts de visie van psychiater Kok heeft meegewogen. Ook heeft de rechtbank zich kunnen stellen achter het in een reactie van zijn bezwaarverzekeringsarts vervatte standpunt van het Uwv dat de door appellante overgelegde informatie van de behandelend neuroloog E. Oosterhoff en van de huisarts J.H.H. Oosterbeek geen aanleiding vormt om de belastbaarheid van appellante per de in geding zijnde datum - in de aangevallen uitspraak wordt deze datum abusievelijk gesteld op 20 januari 2003 in plaats van op 21 januari 2003 - te wijzigen.

Voorts heeft de rechtbank zich ook kunnen verenigen met de als schattingsgrondslag in aanmerking genomen functies. Voor zover in die functies sprake is van een mogelijke overschrijding van de belastbaarheid van appellante, is de rechtbank van oordeel dat de daaromtrent van de zijde van het Uwv verstrekte toelichting voldoende is, en dat van een daadwerkelijke overschrijding van de belastbaarheid van appellante aldus geen sprake is.

Hetgeen appellante in hoger beroep heeft doen aanvoeren vormt in essentie een herhaling van de reeds eerder naar voren gebrachte bezwaren. Met name handhaaft zij haar eigen opvatting dat haar beperkingen zijn onderschat en dat zij als gevolg van het geheel van haar klachten - het flauwvallen, de hoofdpijn, de klachten van haar rechterarm en vooral haar klachten van psychische aard - niet in staat is tot het verrichten van loonvormende arbeid, althans niet in staat is tot het vervullen van de bij de schatting als voor haar passende arbeidsmogelijkheden gebruikte functies. Zij heeft ook aangevoerd dat niet goed valt te begrijpen dat ze enerzijds ongeschikt wordt geacht voor het eigen maatgevende werk als medewerkster in een naaiatelier, maar anderzijds, kijkend naar de bij de schatting betrokken functies, geschikt wordt geacht voor soortgelijke werkzaamheden elders.

De Raad ziet het hoger beroep van appellante niet slagen. De Raad kan zich vinden in hetgeen de rechtbank heeft overwogen en geoordeeld met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit. De Raad maakt die overwegingen en dat oordeel tot de zijne. De Raad voegt daaraan toe dat appellante ook in hoger beroep er niet in is geslaagd haar eigen opvatting inzake de voor haar op de datum in geding geldende fysieke en/of psychische beperkingen aan de hand van objectief-medische gegevens te onderbouwen. Ook de in hoger beroep namens appellante nader ingebrachte medische gegevens, afkomstig van de arts-assistent inwendige geneeskunde K.M.A. Dreijerink en van de psychiaters W. Bohlmeijer en M.A.W. Verwielen, bevatten geen voor de datum in geding relevante informatie omtrent de beperkingen van appellante.

Onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting merkt de Raad nog op dat een eventuele na 21 januari 2003 in de gezondheidstoestand van appellante opgetreden verslechtering voor dit geding niet van belang is. Zo zij zulks wenst staat het appellante vrij om zich opnieuw tot het Uwv te wenden met een nader verzoek om uitkering met betrekking tot een later gelegen datum.

Voorts heeft de Raad, eveneens in navolging van de rechtbank, geen aanknopingspunten om, aldus ervan uitgaande dat ten aanzien van appellante de juiste medische beperkingen in aanmerking zijn genomen, de bij de schatting betrokken functies niet voor appellante haalbaar te achten. De schijnbare overschrijdingen in die functies van de belastbaarheid van appellante zijn ook volgens de Raad genoegzaam toegelicht.

De Raad merkt in dit verband nog op, mede gelet op de beantwoording door het Uwv van de ter zake door de Raad gestelde vragen, dat zich in het geval van appellante niet de situatie voordoet waarin - in enige relevant te achten mate - in toelichtingen bij bepaalde belastbaarheidsaspecten in de Functionele Mogelijkheden Lijst zogeheten verborgen beperkingen zijn opgenomen.

Van de zijde van het Uwv is, in reactie op de ter zake namens appellante naar voren gebrachte grief als hiervoor weergegeven, ter zitting nog opgemerkt dat niet als resultaat van een inhoudelijk arbeidskundig onderzoek het standpunt is ingenomen dat appellante niet langer geschikt is te achten voor het eigen vroegere werk, maar dat bij gebreke aan voldoende gegevens met betrekking tot dat werk de geschiktheid of ongeschiktheid van appellante daarvoor niet meer met zekerheid viel vast te stellen.

In verband hiermee en voorts omdat aan het dienstverband inmiddels een einde was gekomen, heeft de arbeidsdeskundige van het Uwv, hoewel deze het waarschijnlijk achtte dat (ook) het eigen vroegere werk, als zijnde fysiek niet zwaar en voldoende afwisseling kennend in lopen, zitten en staan, voor appellante geschikt was te achten, besloten over te gaan tot het uitvoeren van een schatting op theoretische functies elders.

De Raad stelt vast dat de dossiergegevens deze uiteenzetting bevestigen. De door appellante gesignaleerde discrepantie tussen enerzijds de door het Uwv aangenomen ongeschiktheid voor het maatgevende werk en anderzijds de aangenomen geschiktheid voor soortgelijke arbeid - wat daarvan overigens verder zij - doet zich dan ook niet voor.

De Raad concludeert dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en A.T. de Kwaasteniet als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.