Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA0927

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-03-2007
Datum publicatie
19-03-2007
Zaaknummer
05-2792 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vergoeding kosten in bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2792 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 maart 2005, 04/3198 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2007. Appellant is verschenen. Het Uwv was, zoals aangekondigd, niet vertegenwoordigd.

II. OVERWEGINGEN

Het inleidend beroep richt zich tegen het besluit van 10 september 2004 waarbij het Uwv naar aanleiding van het bezwaar van appellant heeft gehandhaafd zijn besluit van 2 november 1999 tot terugvordering van de over de periode van 1 januari 1998 tot 1 oktober 1998 onverschuldigd betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

In hoger beroep heeft appellant als enige beroepsgrond herhaald dat het Uwv dermate storende en hem op het verkeerde spoor zettende fouten heeft gemaakt, dat hij genoodzaakt is geweest hoge advocaatkosten te maken. Appellant meent dat het Uwv deze kosten dient of anders behoort te vergoeden.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

De Raad stelt voorop dat appellant het besluit op bezwaar van 10 september 2004 niet inhoudelijk heeft bestreden.

Het geschil tussen partijen is beperkt tot het antwoord op de vraag of het Uwv de kosten van rechtsbijstand ter zake van de behandeling van het bezwaar tegen het besluit tot terugvordering van 2 november 1999 dient of anders behoort te vergoeden. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant zelf tegen dat besluit bezwaar heeft gemaakt en dat mr. D. Stuive, advocaat te Rotterdam, namens appellant aanvullende gronden van bezwaar heeft ingediend.

Voor proceskosten die een belanghebbende heeft moeten maken in de fase van bezwaar is in artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een bijzondere regeling getroffen. Op grond van deze regeling is het bestuursorgaan slechts verplicht tot vergoeding van de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Tevens geldt als voorwaarde dat de belanghebbende om vergoeding moet hebben verzocht en wel voordat op het bezwaar is beslist.

Uit de stukken is niet gebleken dat door of namens appellant is verzocht om vergoeding van de gemaakte kosten in de fase van bezwaar. Bovendien is het besluit van 2 november 1999 niet herroepen.

Aan de voorwaarden die artikel 7:15 van de Awb stelt, is derhalve niet voldaan, zodat er geen grond is voor het oordeel dat het Uwv gehouden is tot vergoeding van de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar tegen het besluit van 2 november 1999 heeft moeten maken. De Raad ziet voorts geen reden om van de duidelijke bepalingen van de Awb af te wijken.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb is geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2007.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) J.J. Janssen.