Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA0853

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-03-2007
Datum publicatie
19-03-2007
Zaaknummer
06/4235 WWB
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2008:BD6438
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4235 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 6 juni 2006, 05/1802 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venray (hierna: College)

Datum uitspraak: 6 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft A.C.J. Lina, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met reg.nr. 06/176 WWB, plaatsgevonden op

23 januari 2007, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A.C.J. Lina en waar het College zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J.J.P. Frenk, werkzaam bij de gemeente Venray. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

C. [J.] (hierna: [J.]) ontving van 29 mei 1997 tot 7 september 2001 en sedert 12 december 2001 een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder, welke uitkering per 1 januari 2004 is omgezet naar een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

Uit de bevindingen van een in de periode van juli 2004 tot begin januari 2005 door de sociale recherche van de gemeente Venlo ingesteld onderzoek, heeft het College de conclusie getrokken dat [J.] in de perioden van 8 januari 1998 tot

7 januari 2000, van 31 januari 2000 tot 30 maart 2001, van 6 april 2001 tot 7 september 2001 en van 12 december 2001 tot

1 december 2004 met appellant een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd.

Bij besluit van 10 februari 2005 is de bijstand van [J.] over voormelde perioden herzien (lees: ingetrokken) op de grond dat zij heeft nagelaten aan het College te melden dat zij in die perioden een gezamenlijke huishouding voerde met appellant. Tevens zijn de kosten van bijstand over deze perioden tot een bedrag van € 97.397,87 van [J.] teruggevorderd.

Bij afzonderlijk besluit van - eveneens - 10 februari 2005 heeft het College de ten behoeve van [J.] gemaakte kosten van bijstand met toepassing van artikel 84 van de Abw en artikel 59 van de WWB tot een bedrag van € 97.397,87 mede van appellant teruggevorderd. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 28 september 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met beslissingen inzake griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het besluit van 28 september 2005 gedeeltelijk gegrond verklaard en dat besluit - voor zover het betrekking heeft op de terugvordering over periode van 1 januari 1998 (lees: 8 januari 1998) tot en met 31 december 1998 - wegens een ondeugdelijke motivering vernietigd.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de terugvordering van appellant van de ten behoeve van [J.] gemaakte kosten van bijstand in stand is gelaten.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In artikel 59, tweede lid, van de WWB is bepaald dat indien de bijstand als gezinsbijstand had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belang-hebbende de inlichtingenverplichtingen niet of niet behoorlijk is nagekomen, de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

Voor de vaststelling dat, in het onderhavige geval, appellant die persoon is, is vereist dat hij in de in geding zijnde perioden met [J.] een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3, van de Abw respectievelijk de WWB heeft gevoerd.

Artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Abw en van de WWB bepaalt dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht, indien de belang-hebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.

Aangezien vaststaat dat uit de relatie van [J.] en appellant op 24 december 1996 een kind is geboren, is voor de beantwoording van de vraag of ten tijde in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of [J.] en appellant hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.

Uit de gedingstukken blijkt dat appellant en [J.] in de in geding zijnde perioden stonden ingeschreven op verschillende adressen. Appellant stond vanaf 2 januari 1998 op verschillende (post)adressen ingeschreven. Sedert 20 februari 2004 stond hij ingeschreven aan de [adres 1] te [plaatsnaam 1]. [J.] heeft tot en met 7 juni 2001 ingeschreven gestaan aan de [adres 2] te [plaatsnaam 2] en sedert 8 juni 2001 aan de [adres 3] te [plaatsnaam 2].

Aan het criterium van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning kan volgens vaste jurisprudentie evenwel ook zijn voldaan indien ondanks het aanhouden van afzonderlijke adressen een feitelijke situatie van samenwoning bestaat.

De Raad is van oordeel dat de bevindingen van het onderzoek onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van het College dat appellant en [J.] gedurende de in geding zijnde perioden tot 8 juni 2001 hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. De onderzoeksbevindingen bevatten weliswaar aanwijzingen waaruit afgeleid kan worden dat appellant wel eens bij [J.] aan de [adres 2] te [plaatsnaam 2] verbleef, doch de Raad acht onvoldoende gegevens aanwezig voor de conclusie dat appellant zijn hoofdverblijf op dat adres had. De politiemutaties uit de jaren 1998 tot en met 2001, op welke mutaties het College zijn standpunt mede heeft gebaseerd, zijn opgemaakt in het kader van regulier politieoptreden en hielden verband met uit de alcoholverslaving van appellant voortvloeiende problemen, zoals door appellant en [J.] ter zitting van de Raad nader is toegelicht. Daaraan kunnen niet zonder meer conclusies worden verbonden met betrekking tot het hoofdverblijf van appellant op het woonadres van [J.]. Bovendien zijn deze mutaties niet dekkend voor de gehele periode tot 8 juni 2001. Voor de beoordeling van het hoofdverblijf van appellant in de woning van [J.] komt aan die mutaties dan ook onvoldoende betekenis toe. Dat geldt ook voor de drie tot de gedingstukken behorende getuigenverklaringen van buurtbewoners van de [adres 3]. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat een van deze getuigen niet geheel zeker van haar zaak lijkt te zijn bij de fotoherkenning van appellant en [J.], en dat een andere getuige heeft verklaard dat appellant soms twee dagen op het adres van [J.] was en dan weer weg was.

Met betrekking tot de in geding zijnde perioden vanaf 8 juni 2001 bieden de voorhanden gegevens wel een toereikende grondslag voor het standpunt van het College dat appellant en [J.] hun hoofdverblijf hadden in de woning van [J.] aan de [adres 1].

De Raad hecht daarbij in het bijzonder betekenis aan de verklaring die [J.] op 16 december 2004 tegenover de sociale recherche heeft afgelegd. Zij heeft toen verklaard dat appellant vanaf het moment dat zij aan de [adres 1] woont daar meestal verblijft. Deze verklaring vindt in voldoende mate steun in de overige gedingstukken. Zo komt uit de verklaringen van de bewoners van de [adres 1] een consistent beeld van dat gezamenlijk hoofdverblijf naar voren. De verklaring van [J.] vindt voorts steun in de bevindingen van de observaties die in de periode van 25 augustus 2004 tot 18 november 2004 bij haar woning aan de [adres 1] hebben plaatsgevonden. De Raad ziet ten slotte geen grond voor de stelling van appellant dat hij is gaan wonen aan de [adres 1] te [plaatsnaam 1], gelet op de bevindingen van het onderzoek van de sociale recherche aan dat adres, die niet op bewoning van appellant aldaar wezen. Dat de naar aanleiding van een anonieme tip in 2002 uitgevoerde observaties bij de woning van [J.] geen aanwijzingen hebben opgeleverd dat zij op haar adres met een man samenwoonde, leidt niet tot een ander oordeel.

De omstandigheid dat de strafrechter appellant heeft vrijgesproken van het medeplegen van valsheid in geschrifte in de periode van 8 januari 2001 tot 1 januari 2002, doet naar vaste rechtspraak van de Raad aan het voorgaande geen afbreuk. De bestuursrechter is immers bij de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan hetgeen in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, teminder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is.

Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat appellant en [J.] vanaf 8 juni 2001 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd in de zin van artikel 3, derde lid, in verbinding met artikel 3, vierde lid, van de Abw en van de WWB.

Nu gelet op de gedingstukken voorts vaststaat dat de verlening van gezinsbijstand over de periode vanaf 8 juni 2001

- niettemin - achterwege is gebleven omdat [J.] de op haar rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen, is gegeven dat over de perioden van 8 juni 2001 tot en met 7 september 2001 en van 12 december 2001 tot en met 30 november 2004 is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB. Het College was derhalve bevoegd de over die perioden gemaakte kosten van bijstand mede van appellant terug te vorderen.

Uit de door het College aan de Raad gezonden Beleidsregels terugvordering en verhaal blijkt dat het College in gevallen van niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting steeds tot medeterugvordering van de als gevolg daarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand bij gezinsleden overgaat - behoudens (samengevat) kruimelgevallen - en daarvan slechts afziet ingeval van dringende redenen. Naar het oordeel van de Raad gaat dit beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het College niet in overeenstemming met zijn beleid heeft besloten. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad evenmin een grond voor het oordeel dat het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in afwijking van het beleid (geheel of gedeeltelijk) van terugvordering had moeten afzien.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de medeterugvordering met betrekking tot de periode voorafgaand aan 8 juni 2001, berust het besluit van 28 september 2005 in zoverre op een ondeugdelijke motivering. Dat brengt voorts mee dat het totaalbedrag van de teruggevorderde bijstand onjuist is. Aangezien de rechtbank dit niet heeft onderkend, komt de aangevallen uitspraak - voor zover aangevochten - voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het besluit van 28 september 2005, voor zover door de rechtbank in stand gelaten, vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Daarbij merkt de Raad op dat een terugvorderingsbesluit als één geheel moet worden beschouwd, nu dit uitmondt in één - daarin te vermelden - bedrag aan teruggevorderde bijstand. Dit klemt temeer nu een terugvorderingsbesluit een executoriale titel oplevert.

De Raad zal het College opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Proceskosten

De Raad ziet ten slotte aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 28 september 2005 voor zover dat door de rechtbank in stand is gelaten;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van

€ 644,--, te betalen door de gemeente Venray aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Venray het aan appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van € 105,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2007.

(get.) C. van Viegen.

(get.) L. Jörg.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ‘s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.