Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA0850

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-03-2007
Datum publicatie
19-03-2007
Zaaknummer
06/4852 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Versneld interen op vermogen. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Opdracht tot nieuw besluit: rekening houdend met belasting.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 48
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 177
USZ 2007/134
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4852 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunschoten (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 6 juli 2006, 06/429 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene] (hierna: betrokkene)

Datum uitspraak: 13 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met reg.nrs. 06/70 WWB en 06/71 WWB, plaatsgevonden op 30 januari 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J. van den Berg, werkzaam bij de gemeente Bunschoten. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.A.W. Enoch, advocaat te Utrecht. Na het sluiten van het onderzoek ter zitting zijn de zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Op 21 december 2004 heeft betrokkene een aanvraag ingediend om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Deze aanvraag heeft geleid tot het besluit van 19 januari 2005 waarbij appellant de aanvraag buiten behandeling heeft gelaten.

Bij besluit van 13 december 2005 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 19 januari 2005 gegrond verklaard en betrokkene met ingang van 21 december 2004 bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellant heeft deze bijstand tot een bedrag van € 56.790,-- verstrekt in de vorm van een geldlening en daarbij toepassing gegeven aan artikel 48, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB. Appellant stelt zich op het standpunt dat betrokkene blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan omdat zij een bedrag van € 67.000,--, dat zij op 18 november 2002 op een op haar naam staande bankrekening heeft ontvangen, in een tijdsbestek van twee jaar heeft opgemaakt, terwijl zij daarnaast een bijstandsuitkering ontving. Bij de vaststelling van het bedrag aan leenbijstand is appellant uitgegaan van het bedrag waarmee het door betrokkene ontvangen bedrag de voor haar toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen van € 10.210,-- heeft overschreden.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht het beroep tegen het besluit van 13 december 2005 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat appellant met inachtneming van die uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant onvoldoende deugdelijk gemotiveerd dat sprake is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In artikel 48, eerste lid, van de WWB is het uitgangspunt neergelegd dat de bijstand wordt verleend om niet. Ingevolge artikel 48, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB kan, voor zover hier van belang, bijstand worden verleend in de vorm van een geldlening indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.

Vast staat dat betrokkene op 18 november 2002 op een aan haar toebehorende bank-rekening een bedrag van € 67.000,-- heeft ontvangen. De Raad ziet in het geval van betrokkene geen reden om niet uit te gaan van zijn vaste rechtspraak dat het feit dat een bankrekening op naam van een bijstandsontvanger een tegoed bevat de veronderstelling rechtvaardigt dat dit tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij de beschikking heeft dan wel redelijkerwijs kan beschikken. Uit de gedingstukken blijkt voorts dat betrokkene bij haar aanvraag op 21 december 2004 nog over banktegoeden van in totaal € 1.228,08 beschikte. Betrokkene heeft derhalve in een kort tijdsbestek een vermogen van bijna € 66.000,-- verbruikt, terwijl zij daarnaast een bijstandsuitkering ontving. Tegen deze achtergrond is de Raad anders dan de rechtbank van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat betrokkene blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als voormeld.

Het hoger beroep slaagt derhalve in zoverre. Dat betekent echter nog niet dat het besluit van 13 december 2005 in stand kan blijven. Appellant heeft er immers bij de bepaling van het in de vorm van een geldlening verstrekte bedrag van bijstand geen rekening mee gehouden dat betrokkene op 14 juli 2003 in verband met het door haar op 18 november 2002 ontvangen bedrag van € 67.000,-- belasting heeft betaald tot een bedrag van € 6.401,--. Nu appellant dit heeft nagelaten berust het besluit van 13 december 2005 op een ondeugdelijke motivering. Nu de rechtbank op een geheel andere - door de Raad niet gevolgde - grond is gekomen tot dit oordeel zal de Raad de aangevallen uitspraak - behoudens voorzover het betreft het griffierecht en de proceskosten - vernietigen, het beroep van betrokkene gegrond verklaren en het besluit van 13 december 2005 vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad zal appellant opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Met het oog daarop overweegt de Raad dat appellant dient vast te stellen wanneer de noodzaak van bijstandsverlening zou zijn ingetreden indien betrokkene geen blijk had gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan door aan appellant terstond mededeling te doen van de ontvangst van eerder genoemd bedrag van € 67.000,-- en vervolgens op een verantwoorde wijze op dit vermogen in te teren tot aan de grens van het voor betrokkene vrij te laten vermogen. De bijstand die wordt verleend vanaf 21 december 2004 (datum aanvraag) tot aan de datum waarop de noodzaak van bijstand zou zijn ingetreden kan worden verstrekt in de vorm van een geldlening. Naar het oordeel van appellant, zo heeft diens gemachtigde ter zitting van de Raad desgevraagd verklaard, teert een belanghebbende op verantwoorde wijze op zijn vermogen in indien dit geschiedt met een bedrag per maand dat overeenstemt met anderhalf maal de voor die belanghebbende geldende bijstandsnorm. De Raad acht dit een aanvaardbaar uitgangspunt. De Raad merkt ten slotte nog op dat de omstandigheid dat op 24 november 2005 op grond van - het verzwijgen van - de ontvangst van het bedrag van € 67.000,-- kosten van bijstand van betrokkene zijn teruggevorderd in dit verband buiten beschouwing dient te blijven.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij een beslissing is gegeven over het griffierecht en de proceskosten;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 13 december 2005;

Bepaalt dat appellant een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 322,--, te betalen door de gemeente Bunschoten.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en C. van Viegen en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2007.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.