Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA0843

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-03-2007
Datum publicatie
19-03-2007
Zaaknummer
06/1891 WWB, 06/5899 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering bijstandsuitkering. Hoogte aflossingsbedrag.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 58
Wet werk en bijstand 60
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 475c
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 475d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 154
USZ 2007/145
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1891 WWB

06/5899 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank van Rotterdam van 20 februari 2006, 05/2859 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene] (hierna: betrokkene)

Datum uitspraak: 6 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Mr. C.C.M. Welten, advocaat te Rotterdam, heeft namens betrokkene een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. E. van Lunteren, werkzaam bij de gemeente Rotterdam. Betrokkene is verschenen met bijstand van mr. Welten.

II. OVERWEGINGEN

Betrokkene lost maandelijks af op een schuld aan appellant wegens teveel ontvangen bijstand. Op basis van gegevens die betrokkene heeft overgelegd bij zijn verzoek om kwijtschelding van deze schuld, heeft appellant bij besluit van 13 januari 2005 het maandelijks af te lossen bedrag met ingang van 1 februari 2005 gewijzigd van € 45,38 naar € 308,35. Bij besluit van gelijke datum heeft appellant het verzoek om kwijtschelding afgewezen.

Bij besluit van 1 juni 2005 heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 13 januari 2005 inzake de kwijtschelding ongegrond verklaard en het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 13 januari 2005 inzake de aflossing gegrond verklaard en het aflossingsbedrag met ingang van 1 februari 2005 vastgesteld op € 300,60 per maand.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 1 juni 2005 ingestelde beroep - met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten - deels gegrond en deels ongegrond verklaard en dat besluit, voor zover dat betrekking heeft op de vaststelling van de hoogte van het maandelijkse aflossingsbedrag, vernietigd. De rechtbank heeft daarbij, voor zover hier van belang, overwogen dat het verschil tussen het oude en het nieuwe aflossingsbedrag zeer aanzienlijk is en dat betrokkene deze verhoging redelijkerwijs niet heeft kunnen zien aankomen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het niet onaannemelijk is dat een extra aflossingsverplichting van circa € 250,-- zonder overgangsperiode, een onevenredig zware belasting voor betrokkene betekent. De rechtbank acht het niet ondenkbaar dat de handelwijze van appellant betrokkene in betalingsproblemen brengt. Door onverkort toepassing te geven aan het bepaalde in de Handhavingsverordening heeft appellant, aldus de rechtbank, gehandeld in strijd met de rechtszekerheid en evenredigheid.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover daarbij het beroep gegrond is verklaard en het besluit van 1 juni 2005 is vernietigd.

Bij besluit van 23 juni 2006 heeft appellant uitvoering gegeven aan de uitspraak van de rechtbank. Bij dat besluit zijn de bezwaren gericht tegen de hoogte van het aflossings-bedrag gedeeltelijk gegrond verklaard, is dat bedrag vastgesteld op

€ 150,-- per maand in de periode van 1 april 2006 tot 1 april 2007 en op € 250,-- per maand vanaf 1 april 2007 en zijn de bezwaren voor het overige ongegrond verklaard.

De Raad merkt het besluit van 23 juni 2006 aan als een besluit dat op de voet van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en

6:24 van de Algemene wet bestuursrecht mede in de beoordeling moet worden betrokken.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Uit artikel 475c van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) in samenhang bezien met de artikelen 58 en 60 van de Wet werk en bijstand (WWB) volgt dat de tenuitvoerlegging van een besluit tot terugvordering zodanig geschiedt dat de belanghebbende blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet, zoals bedoeld in artikel 475d Rv.

Appellant hanteert de beleidsregel dat aflossingsbedragen bij personen, zoals betrokkene, die niet langer een bijstandsuitkering ontvangen en hogere inkomsten hebben dan de toepasselijke bijstandsnorm, worden vastgesteld op 10% van de norm plus 35% van het verschil tussen het netto inkomen (inclusief vakantietoeslag) en de netto bijstandsnorm plus gemeentelijke toeslag (inclusief vakantietoeslag). De Raad acht dit beleid binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling gelegen.

Vervolgens stelt de Raad vast dat niet in geschil is dat de berekening van het aflossingsbedrag per 1 februari 2005 overeenkomstig bovenvermelde beleidsregel heeft plaatsgevonden. Met appellant en anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het verschil tussen het oude en het nieuwe aflossingsbedrag, noch het feit dat appellant jarenlang het aflossingsbedrag ongewijzigd heeft gelaten, een bijzondere omstandigheid vormt om anders te besluiten in de zin van een meer ten gunste van betrokkene te treffen afbetalingsregeling. De Raad merkt in dit verband op dat bij beschikking van de kantonrechter te Rotterdam van 12 januari 1996 betrokkene een betalingsverplichting is opgelegd die gelijk is aan het verschil tussen het netto inkomen en de van toepassing zijnde beslagvrije voet. Betrokkene had dan ook redelijkerwijs kunnen weten dat hij met het verkrijgen van hogere inkomsten meer zou moeten aflossen. Niet is gebleken van enige toezegging van appellant aan betrokkene over de hoogte van het aflossingsbedrag.

De Raad wijst er voorts op dat de vordering van appellant een ingevolge artikel 60, vijfde lid, van de WWB bevoorrechte vordering is waarvoor andere vorderingen (lager in rang) dienen te wijken. In dit verband merkt de Raad verder op dat de door betrokkene opgevoerde schulden bij Comfort Card en de Fortis Bank nieuwe schulden betreffen die in en na 2002 zijn ontstaan.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt. De Raad zal derhalve de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, vernietigen en, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van betrokkene voor zover dat betrekking heeft op dat deel van het besluit van 1 juni 2005 dat ziet op de hoogte van het aflossingsbedrag, ongegrond verklaren.

De Raad stelt in verband met het voorgaande vervolgens vast dat aan het besluit van 23 juni 2006 de grondslag komt te ontvallen, zodat dit besluit voor - ambtshalve - vernietiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen dat deel van het besluit van 1 juni 2005 dat betrekking heeft op de hoogte van het aflossingsbedrag ongegrond;

Vernietigt het besluit van 23 juni 2006.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar

op 6 maart 2007.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) A.C. Palmboom.