Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA0835

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-03-2007
Datum publicatie
16-03-2007
Zaaknummer
05/5549 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Verzwegen beschikbaar vermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5549 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 18 juli 2005, 04/1734 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem (hierna: College)

Datum uitspraak: 6 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.M. Truijens, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Truijens. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving bijstand vanaf 8 mei 1990, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

Naar aanleiding van informatie van het Inlichtingenbureau, inhoudende dat appellant op zijn naam twee bankrekeningen met de nummers [nr. 1] en [nr. 2] had staan, waarvan de rente over 2002 € 819,-- respectievelijk € 1.159,-- bedroeg, heeft het College een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verstrekte bijstand. In dat kader is appellant verhoord en is hem verzocht om afschriften van beide bankrekeningen te verstrekken. Uit de vervolgens door appellant overgelegde bankafschriften is onder meer gebleken dat het saldo van rekeningnummer [nr. 1] op 31 december 2000 € 22.533,90 bedroeg, en dat het saldo van rekeningnummer [nr. 2] op 31 december 2001 € 46.219,18 bedroeg.

Bij besluit van 17 juni 2004, voor zover hier aan de orde, heeft het College het recht op bijstand van appellant over de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 mei 2004 ingetrokken op de grond dat appellant zonder daarvan mededeling aan het College te hebben gedaan, over deze periode beschikte over een vermogen dat hoger is dan het voor appellant geldende vrij te laten vermogen. Tevens zijn de kosten van bijstand over de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 mei 2004 ten bedrage van € 34.692,89 van appellant teruggevorderd.

Bij besluit van 2 september 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van

17 juni 2004 met toepassing van onder meer de artikelen 54 en 58 van de WWB ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

2 september 2004 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Uit hetgeen de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 21 april 2004, LJN AT4358, volgt dat het College vanaf 1 januari 2004 aan de artikelen 54 en 58 van de WWB zijn bevoegdheid ontleent om over te gaan tot intrekking van het recht op bijstand en terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand en voorts dat de rechten en verplichtingen van een belanghebbende in beginsel dienen te worden beoordeeld naar de wetgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop die rechten en verplichtingen betrekking hebben.

Het College heeft in de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 mei 2004 geen gebruik gemaakt van de in het overgangsrecht van de WWB opgenomen mogelijkheid om al voor 1 januari 2005 uitvoering te geven aan WWB-bepalingen die van onmiddellijke inwerkingtreding op 1 januari 2004 zijn uitgezonderd. Dit betekent dat de inlichtingenverplichting van artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) van toepassing is gebleven gedurende de gehele in geding zijnde periode.

De Raad overweegt voorts het volgende.

Vaststaat dat de bankrekeningen met de nummers [nr. 1] en [nr. 2] op naam van appellant zijn gesteld. Naar vaste rechtspraak van de Raad rechtvaardigt het feit dat een bankrekening op naam staat van een betrokkene de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om in genoegzame mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is.

Appellant heeft in dat verband ook in hoger beroep aangevoerd dat de op voormelde bankrekeningen staande tegoeden niet aan hem toebehoren, maar aan familieleden en aan personen van de Somalische gemeenschap, en dat hij als vertrouwenspersoon dat geld voor hen beheert. Appellant heeft hiermee naar het oordeel van de Raad niet genoegzaam aangetoond dat de op beide bankrekeningen aanwezige tegoeden ten tijde in geding niet tot zijn vermogen gerekend kunnen worden. De overgelegde verklaringen van familieleden en personen uit de Somalische gemeenschap, waarin onder meer is aangegeven dat appellant hun gezamenlijke spaargeld namens hen beheert, acht de Raad onvoldoende, nu appellant deze verklaringen op geen enkele wijze met objectieve verifieerbare gegevens heeft onderbouwd. Het door appellant overgelegde kasboek, waarin is aangetekend wanneer en van wie appellant geldbedragen zou hebben ontvangen, acht de Raad evenmin voldoende, nu die gestelde ontvangsten in het geheel niet overeenkomen met het stortingspatroon zoals dat blijkt uit de overgelegde bankafschriften.

Het voorgaande betekent dat de op de bankrekeningnummers [nr. 1] en [nr. 2] aanwezige tegoeden tot het vermogen van appellant gerekend dienen te worden en dat appellant gedurende de periode in geding over deze tegoeden, die blijkens de bankafschriften ruimschoots boven de destijds geldende vermogensgrens als bedoeld in artikel 54 van de Abw en artikel 34 van de WWB liggen, redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.

Appellant heeft van deze bankrekeningen noch van de daarop aanwezige saldi mededeling aan het College gedaan. Aangezien het hier gaat om gegevens die onmiskenbaar van belang zijn voor de verlening en de voortzetting van de bijstand is appellant, door hier geen opgave van te doen, de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op hem rustende inlichtingenverplichting niet nagekomen. Nu deze schending van de inlichtingenverplichting ertoe heeft geleid dat aan appellant over de periode van

1 januari 2001 tot en met 31 mei 2004 ten onrechte bijstand is verleend, is het College bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand over die periode in te trekken.

Uit de beleidsregels van het College blijkt dat altijd tot intrekking of herziening wordt overgegaan tenzij sprake is van dringende redenen. De Raad is van oordeel dat het College met deze beleidsregel niet buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is getreden, voor zover deze ziet op situaties - zoals in het geval van appellant - waarin sprake is van schending van de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw. Het College heeft met zijn besluit tot intrekking overeenkomstig deze beleidsregel ten aanzien van appellant gehandeld. Appellant heeft geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht die het College aanleiding hadden behoren te geven van de beleidsregel af te wijken.

Uit het voorgaande volgt dat aan appellant ten onrechte bijstand is verleend als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB. Het College was derhalve op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd om de kosten van de ten onrechte verleende bijstand terug te vorderen. In hetgeen door appellant is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en

J.M.A. van der Kolk-Severijns en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op

6 maart 2007.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) A.C. Palmboom.

PR/070307