Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA0833

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-03-2007
Datum publicatie
16-03-2007
Zaaknummer
05/429 WAO + 05/1667 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/429 WAO

05/1667 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 15 december 2004, nr. 04/597 (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 2 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en tegelijkertijd een rapport van 7 maart 2005 van de bezwaararbeidsdeskundige H.J. van Heun ingezonden.

Mede op grond van dit rapport heeft het Uwv het bestreden besluit van 15 april 2004 gewijzigd en een nieuw besluit op bezwaar genomen gedateerd 11 maart 2005 ( hierna het bestreden besluit 2).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, voorheen werkzaam als bejaardenverzorgster/verpleeghulp in avond- en nachtdienst, is op 16 januari 1986 uitgevallen met rugklachten (hernia); nadien zijn tevens hartklachten en een hoge bloeddruk geconstateerd. Na afloop van de wettelijke wachttijd is haar een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Deze heeft zij, met een onderbreking van enkele jaren, sedertdien ontvangen, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Blijkens een rapport van 10 februari 2003 is appellante onderzocht door de verzekeringsarts E.J.M. van Paridon die een aantal beperkingen van fysieke aard (met name op de punten lopen, zitten en tillen/dragen alsmede afwisseling van lopen en staan respectievelijk zitten en lopen) aangewezen heeft geacht en deze heeft weergegeven op een functionele mogelijkhedenlijst (FML); tevens heeft hij appellante energetisch beperkt geacht, in verband waarmee hij een urenbeperking tot 30 uur per week in de FML heeft opgenomen. De arbeidsdeskundige R.W.T. Hartman heeft vervolgens een aantal voor appellante gelet op haar beperkingen zijns inziens geschikte functies geselecteerd en vastgesteld dat het met deze functies te verdienen loon voor appellante een verlies aan verdiencapaciteit oplevert van minder dan 15%. In verband hiermee heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante bij besluit van 3 september 2003 met ingang van 23 oktober 2003 ingetrokken. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 15 april 2004 (hierna het bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv zich mede gebaseerd op het rapport van 17 maart 2004 van de bezwaarverzekeringsarts J.A.M.M. Sijben.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Daarbij heeft zij aangegeven, dat zij vraagtekens zet bij de door het Uwv uitgevoerde keuring en de functieduiding door de arbeidsdeskundige en de aan de functies toegekende verdiencapaciteit. Zij is van mening dat een aantal van de hier bedoelde functies door haar gelet op haar lichamelijke beperkingen niet uitgevoerd kan worden.

De rechtbank heeft de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit 1 onderschreven en het beroep ongegrond verklaard.

Appellante heeft in hoger beroep haar in eerste aanleg aangevoerde grieven herhaald.

De Raad oordeelt als volgt.

Met betrekking tot het bestreden besluit 1:

Als hiervoor aangegeven heeft het Uwv op 11 maart 2005 een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 23 oktober 2003 alsnog is vastgesteld op 15-25 %. Dit betekent dat het Uwv het bestreden besluit 1 niet langer handhaaft en aan appellante alsnog WAO-uitkering heeft toegekend. Nu appellante geen vergoeding van schade op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gevorderd en haar bezwaren tegen die uitspraak en dat besluit aan de orde komen bij de beoordeling van het bestreden besluit 2, heeft appellante geen in rechte te honoreren belang meer bij een zelfstandige beoordeling van de aangevallen uitspraak en van het bestreden besluit 1. Het hoger beroep dient bijgevolg niet- ontvankelijk verklaard te worden. De Raad ziet aanleiding te bepalen dat het Uwv het in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 37,-- respectievelijk € 102,-- vergoedt. Van proceskosten die op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen is de Raad niet gebleken.

Met betrekking tot het bestreden besluit 2:

Het (hoger) beroep van appellante moet, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb in verbinding met artikel 6:24 van die wet, nu het Uwv met het bestreden besluit 2 niet geheel aan het bezwaar respectievelijk het (hoger) beroep van appellante tegemoet is gekomen, geacht worden mede gericht te zijn tegen dit besluit.

De Raad is gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting niet tot de conclusie kunnen komen dat de (bezwaar)verzekeringsartsen de beperkingen van appellante hebben onderschat. Daarbij neemt de Raad in aanmerking, dat niet is gebleken dat het onderzoek door het Uwv onzorgvuldig is geweest en dat van de zijde van appellante geen medische gegevens in het geding zijn gebracht die een andersluidende conclusie zouden kunnen rechtvaardigen.

De Raad ziet ook geen aanleiding tot het instellen van een nader medisch onderzoek.

De voor appellante geschikt geachte functies zijn door de bezwaararbeidsdeskundige Van Heun voornoemd nader onderzocht op het aspect afwisselen van houding, hetgeen ertoe heeft geleid dat alsnog enkele functies als niet passend zijn aangemerkt. Ten aanzien van de overige functies blijkt uit diens rapport van 7 maart 2005 dat deze in voldoende mate de mogelijkheid tot vertreding en afwisselen van houding bieden. Ook overigens overtreft de belasting van de geselecteerde functies, naar het oordeel van de Raad, de belastbaarheid van appellante niet.

Het voorgaande betekent, dat het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig tot toepassing van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep van in totaal € 139,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J. Riphagen en

J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen

als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.J. Janssen.

EK0103