Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA0725

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-03-2007
Datum publicatie
15-03-2007
Zaaknummer
05-346 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is terecht besloten tot weigering van ziekengeld omdat betrokkene niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/346 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 december 2004, 03/2763 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.M.M. Brouwer, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2007.

Appellant is verschenen bij gemachtigde mr. Brouwer.

Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W.G. Determan.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, die werkzaam is geweest als tuinbouwmedewerker, heeft naar aanleiding van de bij hem op 21 juli 1997 ingetreden arbeidsongeschiktheid tot 7 januari 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen, laatstelijk naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met ingang van 7 januari 1999 is deze uitkering ingetrokken omdat appellant niet langer arbeidsongeschikt werd geacht. Het terzake afgegeven besluit op bezwaar van 23 juli 1999 is gelet op de tussen partijen gewezen uitspraak van de Raad van

23 augustus 2002 ( geding 00/3378 WAO) in rechte onaantastbaar.

Appellant heeft zich op 16 juli 2002 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld. Bij besluit van 10 januari 2003 is aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 15 januari 2003 geen recht meer had op ziekengeld, omdat hij niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid.

Het namens appellant tegen voormeld besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 20 juni 2003 ongegrond verklaard.

Het Uwv heeft op 18 mei 2004 een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarbij het bezwaar tegen het besluit van 10 januari 2003 in zoverre gegrond is verklaard, dat appellant per 26 maart 2003 geen ziekengeld meer wordt toegekend, omdat hij met ingang van deze datum niet langer arbeidsongeschikt werd geacht.

De rechtbank heeft het beroep met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht geacht tegen het besluit van 18 mei 2004 en het beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

De Raad staat thans voor de vraag of het Uwv terecht heeft besloten dat appellant met ingang van 26 maart 2003 geen recht meer had op ziekengeld.

Ingevolge artikel 19, eerste lid van de Ziektewet (ZW) zoals deze bepaling luidde ten tijde hier in geding, heeft de verzekerde – voorzover hier van belang – bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op uitkering ingevolge de WAO. Het vorenstaande betekent dat terzake van het ziektegeval van 16 juli 2002 als maatstaf dient te worden aangelegd de arbeid verbonden aan de functies die voor appellant in het kader van de WAO in 1999 als geschikt zijn aangemerkt, en wel elk van deze functies afzonderlijk.

De rechtbank heeft voormelde vraag bij de aangevallen uitspraak bevestigend beantwoord en daarbij met name betekenis toegekend aan de bevindingen van de betrokken verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts, die beiden informatie hebben ingewonnen bij de behandelend sector. De rechtbank heeft in het bijzonder nog aandacht besteed aan de door appellants gemachtigde in eerste aanleg ingebrachte brieven van appellants behandelend reumatologe dr. M.H.W. de Bois van 14 januari 2004, 6 oktober 2004 en 11 november 2004.

In een rapport van 29 januari 2004 heeft bezwaarverzekeringsarts M. Keus opgemerkt dat de behandelend reumatologe blijkens eerst vermelde brief op 26 februari 2003 heeft geconstateerd dat sprake was van een duidelijke afname van de polyartritis. Gelet op zijn bevindingen bij onderzoek op 26 maart 2003 heeft de bezwaarverzekeringsarts, die toen ook al beschikte over een brief van voornoemde reumatologe van 31 maart 2003, waarin wordt vermeld dat de reumatoïde artritis tot rust was gekomen, in de nadere informatie een bevestiging gezien van zijn standpunt dat appellant op 26 maart 2003 geschikt was te achten voor meerbedoelde functies. In voormelde brieven van 6 oktober 2004 en 11 november 2004 heeft de rechtbank geen grond gezien om dit standpunt niet juist te achten.

De rechtbank heeft voorts in aanmerking genomen dat een bezwaararbeidsdeskundige in een rapport van 14 mei 2003 aan de hand van de door de bezwaarverzekeringsarts na het onderzoek van 26 maart 2003 vastgestelde beperkingen heeft uiteengezet dat slechts één van de destijds geselecteerde functies niet geschikt kon worden geacht voor appellant en dat de overige functies wel passend waren.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft gezien het vorenstaande de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.

Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd vormt goeddeels een herhaling van het in eerste aanleg gestelde. Naar aanleiding daarvan merkt de Raad nog op appellants stelling dat de bezwaarverzekeringsarts een nieuw belastbaarheidspatroon had dienen op te stellen – in aanmerking nemend dat hier sprake is van een geding in het kader van de ZW – niet te kunnen volgen. Voornoemde bezwaarverzekeringsarts heeft genoegzaam rekening gehouden met de door de behandelend reumatologe verstrekte informatie, waaruit naar voren komt dat appellants gezondheidstoestand eind februari 2003 een rustig beeld vertoonde. De Raad ziet onder deze omstandigheden geen reden voor een nader medisch onderzoek. De Raad ziet verder onvoldoende reden voor twijfel aan de conclusie in het arbeidskundig rapport van 14 mei 2003 en merkt in dit verband nog op dat gelet op de intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering per 7 januari 1999 is komen vast te staan dat de functies wat betreft appellants opleidingsniveau en werkervaring passend waren.

Naar aanleiding van het aanvullend beroepschrift merkt de Raad nog het volgende op.

Ter zitting van de rechtbank heeft de gemachtigde van het Uwv het besluit van 20 juni 2003 ingetrokken. Uit 's Raads uitspraak van 4 februari 1997, gepubliceerd in RSV 1997/297, volgt dat - nu van de zijde van appellant niet een verzoek om toekenning van een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb was ingediend - het belang bij een beoordeling van dat besluit was komen te vervallen. De rechtbank had hierin aanleiding behoren te zien appellant niet-ontvankelijk te verklaren in het beroep gericht tegen het besluit van 20 juni 2003. Nu dit is nagelaten, kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1288,-.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart appellant niet-ontvankelijk in het beroep, gericht tegen het besluit van

20 juni 2003;

Verklaart het beroep ongegrond, voorzover het geacht wordt mede te zijn gericht tegen het besluit van 18 mei 2004;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1288,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 133,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en F.A.M Stroink als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen.