Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA0717

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-03-2007
Datum publicatie
15-03-2007
Zaaknummer
05-503 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bovenwettelijke ziekengelduitkering? Wijziging regelgeving.

Wetsverwijzingen
Wet terugdringing ziekteverzuim
Ziektewet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/503 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 20 december 2004, 04/1637 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2007. Namens appellant is verschenen G.H.F.A. Brugman, zwager van appellant. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is samen met zijn zwager werkzaam als zelfstandig slager. Per 1 januari 1980 hebben zij een vrijwillige verzekering voor de Ziektewet (ZW) afgesloten bij de toenmalige bedrijfsvereniging voor, onder meer, het slagersbedrijf “De Samenwerking” (hierna: de Samenwerking).

Per 29 maart 2004 heeft appellant zich ziek gemeld bij het Uwv. Blijkens de uitkeringsspecificatie van 14 april 2004 heeft het Uwv over de periode van 31 maart 2004 tot en met 5 april 2004 aan appellant uitkering ingevolge de ZW betaald ter hoogte van 70% van het dagloon. Tegen deze uitkeringsspecificatie heeft appellant bezwaar gemaakt en gesteld dat hem ziekengeld naar 100% van het dagloon diende te worden uitbetaald. Bij besluit van 17 juni 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd overweegt de Raad als volgt.

Blijkens artikel 29 van de ZW zoals dat artikel destijds luidde bedroeg het ziekengeld 80% van het dagloon. Artikel 57 van de ZW (oud) bood de mogelijkheid werknemers een bovenwettelijk ziekengeld te betalen. De Samenwerking heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en het Bovenwettelijke Uitkeringsbesluit (BWU) vastgesteld. Daarin is bepaald dat aan werknemers ziekengeld ter hoogte van 100% van het dagloon wordt uitbetaald. Het BWU gold alleen voor verplicht verzekerden.

Per 1 januari 1986 is de ZW gewijzigd en is de hoogte van het wettelijk ziekengeld vastgesteld op 70% van het dagloon. De Samenwerking heeft besloten vanaf dat moment het BWU ook voor de vrijwillig verzekerden van de risicogroep slagers te doen gelden, waardoor ook aan hen ziekengeld naar 100% van het dagloon werd uitbetaald.

Met de invoering van de Wet terugdringing ziekteverzuim (WTZ) per 1 januari 1994 is de mogelijkheid van een bovenwettelijke ziekengelduitkering vervallen. Blijkens artikel XVII van het overgangsrecht bij de WTZ zijn besluiten als het BWU per 1 juli 2004 vervallen.

Met de wijziging van de ZW per 1 maart 1996 is de hoogte van het ziekengeld van de vrijwillig verzekerde vastgesteld op 70% van het dagloon.

Gelet op de hiervoor weergegeven wettelijke regeling had appellant, naar de rechtbank met juistheid heeft overwogen, ter zake van zijn ziekmelding per 29 maart 2004 geen recht op ziekengeld naar 100% maar naar 70% van het dagloon.

De Raad is van oordeel dat deze verandering in de regelgeving appellant bekend had kunnen en behoren te zijn. De Raad acht niet aannemelijk dat de samenwerking en haar rechtsopvolgers de bij hen aangesloten vrijwillig verzekerden niet hebben geïnformeerd over de wijzigingen in wet- en regelgeving met betrekking tot uitkeringen bij ziekte. Dat mogelijk niet appellant zelf maar zijn voormalige boekhouder deze informatie heeft ontvangen, maakt dit niet anders.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en F.A.M. Stroink als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen.