Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA0565

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2007
Datum publicatie
13-03-2007
Zaaknummer
05-4592 AW + 05-4594 AW + 05-4595 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eindoordeel beoordeling matig/slecht. Beoordeling met negatief eindoordeel. Ontslag wegens ongeschiktheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4592 AW + 05/4594 AW + 05/4595 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 7 juni 2005, 04/169, 04/689, 04/1476 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellant

en

Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland (hierna: gedeputeerde staten)

Datum uitspraak: 22 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Gedeputeerde staten hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. E. van Haasteren, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand. Gedeputeerde staten hebben zich laten vertegenwoordigen door drs. J.P.C. van der Tas en drs. I.H. Tigchelaar, beiden werkzaam bij de provincie Noord-Holland.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was sedert 1994 werkzaam bij de provincie Noord-Holland. Per 1 oktober 2002 is appellant aangesteld in de nieuwe functie van medewerker Controlling-AO beheer bij de afdeling Concern Controlling van de provincie.

1.2. Op 29 januari 2003 is over het functioneren van appellant in de periode oktober 2002 tot en met december 2002 een beoordeling vastgesteld. Het totale eindoordeel van deze beoordeling was matig/slecht. Deze beoordeling is, na bezwaar, bij het bestreden besluit van 28 november 2003 (besluit 1) gehandhaafd.

1.3. Op 24 oktober 2003 is een beoordeling met een negatief eindoordeel vastgesteld over het functioneren van appellant in de periode van oktober 2002 tot en met september 2003. Na bezwaar is deze beoordeling bij het bestreden besluit van 25 februari 2004 (besluit 2) gehandhaafd, onder de vermelding dat deze beoordeling betrekking heeft op de periode van januari 2003 tot en met september 2003.

1.4. Bij besluit van 22 december 2003 hebben gedeputeerde staten appellant met toepassing van artikel B11, aanhef en onder h, van de Collectieve Arbeidsvoorwaarden-regeling Provincies, met ingang van 1 januari 2004 ontslag verleend wegens onbekwaam-heid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie uit andere hoofde dan wegens ziekte. Dit besluit is na bezwaar bij het bestreden besluit van 17 mei 2004 (besluit 3) gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de beroepen tegen de besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen door partijen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

4. Besluit 1

4.1. Met betrekking tot de toetsing van de inhoud van een beoordeling overweegt de Raad dat die volgens zijn vaste jurisprudentie (CRvB 5 november 1998, LJN ZB7954, TAR 1998, 191) is beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat de beoordeling op onvoldoende gronden berust. Daarbij geldt als uitgangspunt dat in geval van negatieve oordelen het betrokken bestuursorgaan aan de hand van concrete feiten in rechte aannemelijk moet maken dat die negatieve waardering niet op onvoldoende gronden berust.

4.2. Ten aanzien van het resultaat van zijn werk is appellant voor de kwantiteit met een onvoldoende beoordeeld en voor de kwaliteit met matig. De beoordeling van appellants gedrag en vaardigheden is op alle onderdelen onvoldoende/matig.

De Raad is van oordeel dat in de gedingstukken alsmede het verhandelde ter zitting onvoldoende steun is te vinden voor deze negatieve waarderingen. Zo is bijvoorbeeld in de beoordeling met betrekking tot het aspect kwantiteit aangegeven dat de doorlooptijden van de projecten te groot was, maar niet is gebleken dat van tevoren met appellant is afgesproken binnen welke periode hij een bepaald project moest hebben afgerond of hoeveel projecten hij binnen een bepaalde periode af moest hebben. Verder is ter zitting aangegeven dat het door appellant in de periode in geding afgeronde project kwalitatief niet beneden het gewenste niveau was en is erkend dat hij voor het grootste gedeelte van de beoordelingsperiode overwegend naar behoren heeft gefunctioneerd.

4.3. Voorts is de Raad gebleken dat de functie medewerker Controlling-AO beheer een nieuwe functie in de organisatie betrof en dat in de periode in geding de functie nog volledig in ontwikkeling was. Verder betrof de periode waarover appellant is beoordeeld de inwerkperiode van appellant, waarin hij onder meer zijn kennis met betrekking tot het beschrijven van de administratieve organisatie op peil moest zien te brengen. De Raad is van oordeel dat gedeputeerde staten bij het vaststellen van de beoordeling in onvoldoende mate met deze omstandigheden rekening hebben gehouden.

4.4. Gezien het vorenoverwogene komt de Raad tot de conclusie dat de onderhavige beoordeling op onvoldoende gronden berust. Besluit 1 kan derhalve in rechte geen stand houden en komt voor vernietiging in aanmerking, evenals de aangevallen uitspraak voor zover daarbij dat besluit in stand is gelaten.

5. Besluit 2

5.1. Appellant heeft aangevoerd dat gedeputeerde staten hebben nagelaten om ingevolge (de toelichting op) de Regeling jaargesprekken (hierna: Regeling) voorafgaande aan het beoordelingsgesprek op 26 september 2003 een planningsgesprek en een voortgangs-gesprek te voeren. De Raad kan appellant in deze grief niet volgen. Uit de gedingstukken blijkt dat in maart 2003 een werkplan is opgesteld, dat ook met appellant is besproken. In mei 2003 is met appellant een voortgangsgesprek gevoerd en in juli 2003 een evaluatie-gesprek. Dat in het kopje van het verslag van het in mei 2003 gehouden gesprek naast ”voortgang van de werkzaamheden” ook ”evaluatie” is vermeld, doet aan de aard en inhoud van dat gesprek niet af. Overigens heeft in de periode hier in geding aanvankelijk wekelijks werkoverleg met appellant plaatsgevonden. Op een gegeven moment heeft appellant aangegeven dat hij dit wekelijks overleg te belastend vond. Vervolgens is het initiatief tot het voeren van overleg over de voortgang van zijn werkzaamheden bij appellant neergelegd. Er heeft nadien geen werkoverleg op verzoek van appellant meer plaatsgehad.

5.2. De Raad is, anders dan appellant, van oordeel dat gedeputeerde staten, gezien het ingevolge artikel 6, tweede lid, van de Regeling geldende overgangsrecht, appellant

terecht hebben beoordeeld volgens het bepaalde in het Reglement Beoordelings-gesprekken 1999.

5.3. Voorts heeft appellant als grief aangevoerd dat de werkzaamheden die hij diende uit te voeren en waarop de beoordeling betrekking heeft niet tot zijn functie behoorden. In plaats van het ontwikkelen van uitgangspunten voor het vastleggen van de administratieve organisatie en het deskundig ondersteunen van proceseigenaren is volgens appellant ten onrechte de nadruk komen te liggen op het vaststellen van de administratieve organisatie.

5.3.1. Ook in deze grief kan de Raad appellant niet volgen. Volgens de vacaturetekst van de functie medewerker Controlling-AO beheer, waarop appellant destijds heeft gereageerd, het aanstellingsbesluit en het werkplan van maart 2003 behoort onder andere tot de taken van deze medewerker het ontwikkelen en uitvoeren van een actief intern controlebeleid binnen de provincie en het controleren en beoordelen naar de mate waarin binnen de provinciale bedrijfs- en beleidsprocessen voldaan wordt aan de vastgestelde normen en randvoorwaarden van beleidsmatige, financiële, juridische, personele en procedurele aard. Daaronder valt naar het oordeel van de Raad ook het geven van een inhoudelijk oordeel bij het vaststellen van de administratieve organisatie van de provincie.

5.4. Ten aanzien van de inhoud van de beoordeling overweegt de Raad, met inacht-neming van de hiervoor in 4.1. geformuleerde toetsingsnorm, als volgt.

5.4.1. De Raad is van oordeel dat in de gedingstukken, waaronder met name het beoordelingsformulier over de periode in geding alsmede de verslagen van de voortgangs- en evaluatiegesprekken in mei en juli 2003, voldoende concrete onderbouwing is gegeven voor de in de beoordeling vervatte negatieve scores en het negatieve eindoordeel omtrent appellants functioneren. Uit die gegevens rijst een beeld op van een medewerker die moeite heeft zich te voegen naar zijn leidinggevende en de door haar genomen beslissingen. Appellant en zijn leidinggevende verschilden met name van mening over het gebruik van het applicatieprogramme B-wise. Dat programma leende zich volgens appellant niet voor de werkwijze die zijn leidinggevende wenste te volgen. Appellant heeft getracht haar hiervan te overtuigen, maar is hierin niet geslaagd. Vervolgens is appellant negatief gedrag gaan vertonen en onvoldoende gaan presteren. Zo heeft hij weinig initiatief, daadkracht en accuratesse laten zien bij het in samenwerking met de proceseigenaren analyseren van werkprocessen en het vaststellen van de administratieve organisatie, is hij de samenwerking met zijn leidinggevende uit de weg gegaan en heeft hij onvoldoende sturing op de kwaliteit en voortgang van zijn werkzaamheden toegelaten. Ook zijn wijze van communiceren liet te wensen over.

5.4.2. De Raad is van oordeel dat het uiteindelijk aan de leidinggevende is om te bepalen op welke wijze appellant de werkzaamheden dient uit te voeren. Evenals de rechtbank is de Raad niet gebleken dat deze werkwijze onredelijke eisen aan appellant stelde. Toen de leidinggevende die werkwijze dan ook niet wilde aanpassen aan de aanwijzingen van appellant omdat die werkwijze ook zonder die aanpassingen voldoende functionaliteit bood, had appellant niet telkens de discussie over die werkwijze mogen heropenen, maar had appellant moeten proberen om zo goed mogelijk conform de werkwijze die de leidinggevende had voorgeschreven zijn functie te vervullen, zonder daarbij het hiervoor genoemde negatief gedrag te vertonen.

5.5. Het vorenstaande betekent dat deze beoordeling standhoudt evenals de aangevallen uitspraak voor zover deze hierop betrekking heeft.

6. Besluit 3

6.1. Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of bij appellant sprake is van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie, anders dan op grond van ziekte. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad moet ongeschiktheid - zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn - worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar.

6.2. De Raad is van oordeel dat de voorhanden zijnde gedingstukken voldoende grondslag bieden voor het oordeel van gedeputeerde staten dat appellant tekort is geschoten in zijn functioneren. Naast de negatieve beoordeling over de periode van januari 2003 tot en met september 2003 en de verslagen van de voortgangs- en evaluatiegesprekken zijn ook de e-mailberichten van appellant aan zijn leidinggevende van augustus en september 2003 van belang. Deze berichten zijn als laatdunkend en denigrerend jegens zijn leidinggevende te kenschetsen.

6.3. Naar het oordeel van de Raad is appellant voldoende in de gelegenheid gesteld zijn wijze van functioneren te verbeteren. Zoals reeds hiervoor in 5.1. is aangegeven gingen aan de laatste beoordeling vele gesprekken met betrekking tot het functioneren van appellant vooraf, waarin op diverse punten kritiek is geuit en aanwijzingen zijn gegeven om tot verbetering te komen. Het heeft appellant dan ook naar het oordeel van de Raad niet aan voldoende begeleiding ontbroken.

6.4. De Raad is gelet hierop van oordeel dat gedeputeerde staten bevoegd waren tot het verlenen van ontslag aan appellant op grond van ongeschiktheid anders dan wegens ziekte.

6.5. De Raad moet vervolgens de vraag beantwoorden of gedeputeerde staten in redelijkheid gebruik hebben kunnen maken van hun bevoegdheid appellant te ontslaan. Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend en hij overweegt daartoe als volgt.

6.5.1. Vast staat dat gedeputeerde staten niet op grond van enige wettelijke bepaling verplicht waren een herplaatsingsonderzoek te verrichten alvorens over te gaan tot ontslag wegens ongeschiktheid. Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen kunnen zich echter bijzondere omstandigheden voordoen die aanleiding geven om desalniettemin op zorgvuldigheidsgronden een verplichting tot het ondernemen van herplaatsingspogingen aan te nemen. In aanmerking genomen de negatieve werkhouding en het negatieve gedrag van appellant jegens zijn leidinggevende waren gedeputeerde staten naar het oordeel van de Raad niet verplicht op zorgvuldigheidsgronden een herplaatsingsonderzoek in te stellen, ondanks appellants langdurig dienstverband. Voorts is de Raad van oordeel dat niet kan worden staande gehouden dat gedeputeerde staten door appellant geen financiële compensatie te verstrekken bij zijn ontslag niet in redelijkheid van hun ontslagbevoegdheid gebruik hebben kunnen maken. Niet aannemelijk is geworden dat gedeputeerde staten hebben bijgedragen aan het disfunctioneren van appellant. Voor zover appellant nog heeft gesteld dat gezien de omstandigheden een ontslag op andere gronden was aangewezen, te weten wegens verstoorde verhoudingen, kan de Raad hem daarin niet volgen. Gezien het vorenstaande kan niet worden staande gehouden dat de in dit geval door gedeputeerde staten gebezigde ontslaggrond ondeugdelijk is.

6.7. Gelet op het vorenoverwogene houdt de aangevallen uitspraak ook wat betreft besluit 3 stand.

7. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding gedeputeerde staten op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, aan kosten van rechtsbijstand, derhalve in totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 28 november 2003 ongegrond is verklaard;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 28 november 2003 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat gedeputeerde staten een nieuwe beslissing nemen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 januari 2003;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt gedeputeerde staten in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.288,-, te betalen door de provincie Noord-Holland;

Bepaalt dat de provincie Noord-Holland aan appellant het door hem in eerste aanleg ten aanzien van besluit 1 en het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 323,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en K. Zeilemaker en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2007.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) O.C. Boute.