Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA0564

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2007
Datum publicatie
13-03-2007
Zaaknummer
05-4383 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na de straf van salariskorting volgt disciplinair ontslag wegens plichtsverzuim. Geen sprake van tweemaal straffen voor het zelfde plichtsverzuim. Geen sprake van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/98
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4383 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 juni 2005, 04/2485 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: college)

Datum uitspraak: 22 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J. Bosua, advocaat te Rotterdam. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.E. van Veeren en G. Wigmans, beiden werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was vanaf 6 april 1975 werkzaam bij de dienst Gemeentewerken van de gemeente Rotterdam als achtereenvolgens opperman, opzichter en vanaf 1 januari 2000 toezichthouder. Op 7 februari 2002 en 6 maart 2002 is appellant in verband met verdenking van het plegen van een ambtsmisdrijf verhoord door de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Belastingdienst (hierna: FIOD). Het college is vooraf op de hoogte gesteld van dit horen. Bij brief van 15 juli 2002 heeft de officier van justitie (OvJ) aan het college meegedeeld dat appellant naar aanleiding van gegevens uit het proces-verbaal van de FIOD van 23 april 2002 wordt gedagvaard voor de politierechter. In die brief heeft de OvJ toegelicht dat - kort gezegd - bij appellant op 12 januari 1999 een keuken is geleverd, welke hij heeft besteld door tussenkomst van aannemer [aannemer H.] (hierna ook: aannemer H). Deze aannemer heeft werkzaamheden verricht voor de gemeente en appellant had daarbij als toezichthouder met hem te maken. Volgens aannemer H heeft hij de keuken betaald en heeft appellant aan hem deels terugbetaald; appellant stelt daarentegen het hele bedrag te hebben terugbetaald. Mogelijk heeft aannemer H in verband hiermee geldelijk voordeel genoten bij de uitvoering van zijn werkzaamheden voor de gemeente Rotterdam.

1.2. De brief van de OvJ van 15 juli 2002 heeft ertoe geleid dat appellant op 6 augustus 2002 door het college is gehoord in verband met het voornemen om hem een disciplinaire straf op te leggen wegens plichtsverzuim. Bij besluit van 3 september 2002 heeft het college op grond van artikel 79, eerste lid, aanhef en onder f, van het Ambtenaren-reglement Rotterdam (hierna: AR) aan appellant wegens plichtsverzuim de straf opgelegd van vermindering van het salaris met het bedrag van de laatste twee periodieke verhogingen gedurende 1 jaar, ingaande 1 september 2002. Het verweten plichtsverzuim bestaat uit het door appellant op oneigenlijke wijze gebruik maken van de positie van toezichthouder, omdat hij een keuken heeft gekocht met behulp van aannemer H en zodoende korting heeft verkregen van de keukenleverancier, terwijl hij vanuit zijn rol als toezichthouder een zakelijke relatie met die aannemer onderhield.

1.3. Op 6 mei 2003 is appellant door de politierechter veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur ter zake van overtreding van artikel 362 (oud) van het Wetboek van Strafrecht. Appellant heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld en ten tijde van de behandeling ter zitting van de onderhavige zaak was nog geen uitspraak gedaan op dit hoger beroep. Na kennisname van die veroordeling heeft het college appellant op 9 mei 2003 met onmiddellijke ingang geschorst.

1.4. Op verzoek van het college heeft de OvJ bij brief van 11 juni 2003 een afschrift van het proces-verbaal van de FIOD van 23 april 2002 verstrekt. De gegevens uit dat proces-verbaal hebben ertoe geleid dat het college, overeenkomstig een daartoe bekend gemaakt voornemen, appellant bij besluit van 2 december 2003 wegens ernstig plichtsverzuim met onmiddellijke ingang ontslag heeft verleend op grond van artikel 79, eerste lid, aanhef en onder j, en artikel 83 van het AR. Het plichtsverzuim bestaat uit het door appellant niet aannemelijk kunnen maken dat hij de keuken zelf heeft betaald, als gevolg waarvan appellant zich in een afhankelijke positie heeft gebracht ten opzichte van aannemer H, hetgeen zich niet verdraagt met zijn publieke taak en functie.

1.5. Bij besluit van 3 augustus 2004 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 2 december 2003 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat appellant zich heeft schuldig gemaakt aan het verweten plichtsverzuim en verwijst daartoe allereerst naar hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen.

3.2. Ten aanzien van dit plichtsverzuim wijst de Raad er voorts op dat de verklaringen die appellant ten overstaan van de FIOD enerzijds en het college anderzijds heeft afgelegd over de betaling van de keuken niet consistent zijn. Bij het horen op 6 augustus 2002 door het college heeft appellant verklaard dat hij de keuken bij aflevering contant aan de leverancier heeft betaald. Uit het proces-verbaal van de FIOD van 23 april 2002 blijkt echter dat appellant ten overstaan van de FIOD meer malen heeft verklaard dat de keuken door de aannemer aan de leverancier is betaald en dat hij het bedrag na aflevering van de keuken aan de aannemer heeft terugbetaald. Uit bankafschriften van appellant volgt weliswaar dat appellant de dag voordat de keuken bij hem is geleverd, bedragen van in totaal f 20.000,- van zijn bankrekeningen heeft opgenomen, maar appellant heeft niet met bewijsstukken aannemelijk kunnen maken dat dit bedrag is gebruikt om de keuken te betalen. Overigens had appellant op 24 december 1998 al een bedrag van f 11.500,- opgenomen. Aannemer H heeft blijkens het proces-verbaal van de FIOD van 23 april 2002 verklaard dat hij het bedrag van de keuken aan appellant heeft voorgeschoten en dat appellant dit bedrag gedeeltelijk en in kleine porties aan hem heeft terugbetaald, overhandigd op bouwlocaties. Aannemer H heeft voorts verklaard voordeel te hebben verkregen als gevolg van door appellant afgehandelde declaraties en soepele controles door appellant op zijn werkzaamheden.

3.3. Niet gebleken is dat aannemer H er enig belang bij had om verklaringen ten nadele van appellant af te leggen. Gelet op die verklaringen is de Raad van oordeel dat het college zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat appellant de keuken niet (geheel) zelf heeft betaald en daardoor ten opzichte van aannemer H in een afhankelijke positie is geraakt en dat appellant had moeten beseffen dat dit zich niet verdraagt met zijn publieke taak. Het college heeft dit handelen terecht aangemerkt als ernstig plichts-verzuim.

3.4. Naar aanleiding van de grieven van appellant in hoger beroep, merkt de Raad op dat het college een eigen bevoegdheid toekomt om een ambtenaar ontslag te verlenen indien, mede op basis van gegevens die ten grondslag hebben gelegen aan een strafrechtelijke veroordeling voor een ambtsmisdrijf, tot de conclusie wordt gekomen dat sprake is van (ernstig) plichtsverzuim als bedoeld in het AR.

3.5. Appellant heeft nog gesteld dat het ontslag in strijd is met het beginsel dat hij niet twee maal voor dezelfde feiten mag worden gestraft, nu hij bij besluit van 3 september 2002 al disciplinair was gestraft met korting op zijn salaris. De Raad kan appellant daarin niet volgen. Het feitencomplex dat ten grondslag lag aan de disciplinaire straf van korting op het salaris, was niet hetzelfde als bij het onderhavige strafontslag. Het college heeft pas uit het door de OvJ bij brief van 11 juni 2003 overgelegde proces-verbaal van de FIOD van 23 april 2002 kunnen vernemen dat de verklaringen van appellant van

6 augustus 2002 over de betaling van de keuken niet strookten met hetgeen hij eerder had verklaard ten overstaan van de FIOD en dat er geen bewijsstukken zijn van de betaling van de keuken door appellant. Weliswaar had de OvJ hieromtrent in zijn onder 1.2. genoemde brief van 15 juli 2002 al inlichtingen verstrekt maar deze waren zeer summier en voor het college kennelijk - niet ten onrechte - niet zonder meer overtuigend. Het college is daarom bij het nemen van zijn besluit van 3 september 2002 afgegaan op de verklaringen van appellant zelf dat het bij de tussenkomst van aannemer H uitsluitend ging om het verkrijgen van een korting bij de aankoop van de keuken.

3.6. Ten aanzien van de grief van appellant dat het ontslag in strijd is met het beginsel van rechtszekerheid, overweegt de Raad als volgt. In het gesprek van 6 augustus 2002, dat plaatsvond voordat aan appellant de disciplinaire straf van korting op het salaris werd opgelegd, heeft het college het voorbehoud gemaakt dat ontslag zou volgen indien appellant schuldig zou worden bevonden aan omkoping. De Raad is van oordeel dat appellant door dit voorbehoud heeft kunnen beseffen dat in het geval de feiten anders zouden blijken te liggen dan waarvan het college toen uitging en een strafrechtelijke veroordeling zou worden uitgesproken, de strafkorting op het salaris niet in de weg zou staan aan een ontslag.

Evenmin is er grond voor het oordeel dat dit voorbehoud van het college slechts strekte tot de bevoegdheid om ontslag te verlenen op grond van artikel 95, eerste lid, aanhef en onder a, van het AR, te weten dat het college een ambtenaar ontslag kan verlenen na een onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens een misdrijf.

3.7. Voorts heeft het college zich naar het oordeel van de Raad met recht op het standpunt kunnen stellen dat het belang van appellant, het lange dienstverband daarbij inachtnemend, minder zwaar weegt dan het belang van de gemeente om integere ambtenaren in dienst te hebben. Appellant heeft door zijn gedrag het aanzien van de openbare dienst en het vertrouwen dat de burger in die dienst moet kunnen hebben, geschaad. Van een toezichthouder als appellant die een schakel vormt tussen de overheid en het bedrijfsleven, mag immers worden verwacht dat hij er nauwgezet voor waakt niet in een positie te geraken die twijfel oproept aan zijn integriteit.

3.8. Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat het strafontslag niet onevenredig is aan aard en ernst van het plichtsverzuim

4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en G.F. Walgemoed als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2007.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.

Q