Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA0560

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-02-2007
Datum publicatie
13-03-2007
Zaaknummer
05-5091 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking BWOO(werkloosheids)-uitkering. Terugvordering. Werkzaamheden als zelfstandige. Gemiddeld aantal uren. Motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5091 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 7 juli 2005, 04/331 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: minister)

Datum uitspraak: 28 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2007, waar appellant in persoon is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. C.H.M.J. Arets, werkzaam bij Loyalis Maatwerkadministraties.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft laatstelijk een uitkering genoten ingevolge het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BWOO), welke uitkering aanvankelijk werd berekend naar een omvang van 38 uur per week. Per 1 januari 1996 is uitgegaan van 4 gewerkte uren per week in verband met het opstarten van een eigen onderneming.

1.2. In 1998 heeft appellant met een re-integratieconsulente WW in dienst van het uitvoeringsorgaan (toen nog USZO) gesproken over het opstarten van een reisorganisatie gespecialiseerd in kuurreizen. Deze re-integratieconsulente heeft in een brief van 2 juni 1998 de met appellant daarover gemaakte afspraken bevestigd. Deze afspraken hielden onder meer in dat appellant 9,5 uur per week als gewerkte uren in het eigen bedrijf kon opgeven in de periode van 1 juni 1998 tot 1 december 1998. De activiteiten die appellant zou verrichten ter uitbreiding van het bedrijf zouden gezien worden als sollicitatieactiviteiten.

1.3. Naar aanleiding van gegevens van de belastingdienst heeft een onderzoek plaatsgevonden waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport werknemersfraude van 17 juni 2003 van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Daarin wordt geconcludeerd dat appellant gedurende een langere tijd heeft verzwegen dat hij in zijn onderneming meer werkzaamheden heeft verricht dan de steeds door hem opgegeven 9,5 uur per week.

1.4. Bij besluit van 30 juli 2003 heeft de minister aan appellant meegedeeld dat zijn uitkering ingevolge het BWOO met terugwerkende kracht per 1 november 1998 wordt beëindigd. Tevens is appellant bij dat besluit meegedeeld dat hetgeen hem onverschuldigd is betaald, van hem wordt teruggevorderd. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 februari 2004 (hierna: het bestreden besluit). Daaraan is het standpunt ten grondslag gelegd dat ingevolge artikel 6, tweede lid, van het BWOO, de uitkering geheel dient te worden beëindigd wegens het in november 1998 - door het uitvoeren van een kuurreis - volledig verrichten van werkzaamheden zodat hij niet langer werkloos was. De minister is tevens van mening dat op grond van artikel 7, vierde lid, van het BWOO, de uitkering niet herleeft omdat de werkzaamheden als zelfstandige niet binnen anderhalf jaar na de aanvang daarvan zijn beëindigd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat appellant meer uren heeft gewerkt dan de door hem opgegeven 9,5 uur per week.

3. Appellant kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak en beroept zich op de met de re-integratieconsulente WW gemaakte afspraak dat hij 9,5 uur gemiddeld per week mocht werken in zijn eigen bedrijf en dat hij dit gemiddelde aantal uren per week op jaarbasis niet heeft overschreden.

4. De Raad merkt vooraf op dat hij geen aanleiding heeft gevonden het onderzoek ter zitting uit te stellen, nu pas kort voor de zitting door appellant om uitstel is verzocht omdat de door hem gewenste gemachtigde de zaak op dat moment niet kon voorbereiden en diens aanwezigheid op de zitting niet zeker was. Deze gemachtigde werd voorts slechts twee dagen voor de zitting bij het verzoek om uitstel aangemeld. Tevens overweegt de Raad dat hij over voldoende gegevens beschikt, mede door appellant ter zitting naar voren gebracht, om tot beoordeling van het geschilpunt over te kunnen gaan.

4.1. Voorts overweegt de Raad, zich beperkend tot het punt van geschil, als volgt.

4.2. De in overweging 1.2. bedoelde re-integratieconsulente WW is in het kader van het fraudeonderzoek gehoord door een opsporingsambtenaar. Tijdens dit verhoor heeft zij verklaard: “Die 9,5 uur per week is een gemiddeld aantal uren wat hij in de week zou werken”. Ook tijdens de zitting van de rechtbank heeft zij als getuige onder meer verklaard dat het aantal van 9,5 uur per week is vastgesteld als een gemiddelde tijdsbesteding per week. Gelet op deze verklaringen is de Raad van oordeel dat appellant er redelijkerwijs van mocht uitgaan dat de gemaakte afspraak zag op een gemiddelde per week.

4.3. Vervolgens overweegt de Raad dat appellant ter zitting onweersproken en in aanvulling op het rapport werknemersfraude heeft verklaard dat er in 1998 twee reizen zijn gemaakt. De Raad acht voldoende aannemelijk dat het gemiddelde van 9,5 uur per week in de betrokken periode daarmee niet is overschreden, zelfs niet indien wordt uitgegaan van volledige werkweken gedurende die twee reizen van elk drie weken. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat appellant naast de weken waarin de reizen plaatsvonden slechts beperkte bezigheden heeft gehad ten behoeve van zijn onderneming zoals het maken van boekingen voor hotels en het regelen van vervoer en begeleiding. De Raad is daarom van oordeel dat het aantal uren dat appellant op basis van de afspraak kon werken ten behoeve van zijn onderneming, in elk geval voor het hier relevante (deel van het) jaar 1998, niet is overschreden. Dat appellant aan de belastingdienst een zodanig aantal gewerkte uren heeft opgegeven dat hij voor zelfstandigenaftrek in aanmerking is gekomen, doet aan het oordeel van de Raad niet af, nu duidelijk is dat appellant in de relevante periode niet meer dan gemiddeld 9,5 uur per week werkzaamheden heeft verricht in zijn onderneming.

4.4. Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit een deugdelijke grondslag ontbeert en derhalve wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt. Gelet hierop dient de aangevallen uitspraak, waarbij dit besluit in stand is gelaten, te worden vernietigd. De minister dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen de Raad hiervoor heeft overwogen.

4.5. Ten overvloede overweegt de Raad dat op basis van de beschikbare gedingstukken niet kan worden uitgesloten dat moet worden gesproken van een stilzwijgend voortzetten van de gemaakte afspraak. Appellant heeft namelijk op de maandformulieren steeds ingevuld dat hij 9,5 uur per week heeft gewerkt en heeft daarbij vanaf januari 1999 ook steeds vermeld dat het een gemiddelde betreft. De omvang van zijn uitkering is in overeenstemming daarmee berekend en niet gewijzigd tot de beëindiging bij het primaire besluit.

5.1. Appellant heeft verzocht om vergoeding van de kosten in bezwaar. De minister zal gezien het vorenoverwogene een nieuw besluit moeten nemen. De minister zal dan eveneens moeten bezien of toepassing dient te worden gegeven aan artikel 7:15, tweede lid, van de Awb inzake de vergoeding van de kosten in bezwaar.

5.2. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de minister op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-, in totaal € 966,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de minister een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak van de Raad is overwogen;

Veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 966,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 343,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en G.F. Walgemoed als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2007.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.