Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA0547

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-03-2007
Datum publicatie
13-03-2007
Zaaknummer
04-5248 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herplaatsing niet gerealiseerd. Reorganisatieontslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/5248 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 augustus 2004, 04-889 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum (hierna: college)

Datum uitspraak: 1 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.J.A. Vilé, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2006. Appellant en mr. Vilé zijn, zoals aangekondigd, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.M.L. van Dolder, werkzaam bij de gemeente Hilversum.

Na de behandeling ter zitting heeft de Raad het onderzoek heropend. Mr. Vilé heeft alsnog een geschrift ingediend, waarop het college heeft gereageerd. Vervolgens hebben partijen toestemming gegeven tot afdoening buiten zitting.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant werkte sinds 1980 als ambtenaar bij de gemeente Hilversum. Vanaf

1 oktober 1996 was hij werkzaam in de functie trajectbegeleider maatschappelijk zinvolle arbeid bij de Werkwinkel, een onderdeel van de gemeentelijke Sociale Dienst. Per

1 januari 1999 werden de taken van de Werkwinkel, vooralsnog voor een startperiode van twee jaar, overgedragen aan de stichting Vrijwilligerscentrale (VC). Aan appellant is bij besluit van 19 januari 1999 meegedeeld dat hij zijn werkzaamheden op detacheringsbasis bij de VC zal gaan uitoefenen voor een periode van maximaal twee jaar. Uiterlijk voor

1 januari 2001 zal een definitieve beslissing over zijn positie genomen worden.

1.2. Op 19 mei 1999 zijn tussen appellant en de directeur van de Sociale Dienst, P., in het bijzijn van appellants toenmalige raadsvrouw, afspraken gemaakt over zijn rechtspositie. Deze zijn, in brieven van 19 mei 1999 en van 5 juli 1999, over en weer bevestigd. Kort samengevat houden de afspraken in, dat appellant met ingang van 19 mei 1999 zijn functie van trajectbegeleider maatschappelijk zinvolle arbeid ter beschikking stelt en tijdelijke werkzaamheden binnen de gemeente gaat verrichten. Hij heeft de status van met voorrang te verplaatsen medewerker en krijgt ondersteuning van het gemeentelijke Mobiliteitscentrum (MOC) bij het zoeken naar een andere functie. Het onderzoek naar de mogelijkheid van een andere functie duurt in principe tot uiterlijk 19 mei 2001, met de mogelijkheid van verlenging voor nog eens twee jaren. Ontbreekt dan nog steeds een perspectief op plaatsing, dan kan reorganisatieontslag worden verleend, met aanspraak op een wachtgelduitkering.

1.3. Nadat pogingen om appellant binnen of buiten de gemeente Hilversum te herplaatsen niet tot resultaat hadden geleid, is appellant bij brief van 25 februari 2002 het voornemen kenbaar gemaakt hem te ontslaan. Nadat appellant zijn zienswijze kenbaar had gemaakt is hem bij besluit van 5 juli 2002 met ingang van 1 augustus 2002 reorganisatieontslag verleend. Dit besluit is na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van

28 februari 2003.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit vernietigd, voor zover dit de ingangsdatum van het ontslag betreft, en deze bepaald op 6 oktober 2002. Voor het overige heeft de rechtbank het bestreden besluit in stand gelaten.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad het volgende.

3.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant in dit geding niet meer met vrucht kan stellen dat hij in 1990 tegen zijn zin is geplaatst bij de GSD, wat het begin zou hebben ingeluid van zijn vertrektraject bij de gemeente. Vast staat immers dat appellant noch tegen zijn tijdelijke plaatsing per 1 maart 1990 noch tegen zijn definitieve plaatsing per 1 september 1990 rechtsmiddelen heeft aangewend. Het plaatsingsbesluit is derhalve in rechte onaantastbaar en moet in dit geding als een gegeven worden gezien.

3.2. De Raad deelt voorts het oordeel van de rechtbank dat niet aannemelijk is gemaakt dat directeur P. van de GSD voorafgaand aan de afspraken van 19 mei 1999 bij appellant de gerechtvaardigde verwachting heeft gewekt dat hij niet zou worden ontslagen. Veeleer blijkt uit een briefwisseling tussen appellant en P. van 8 en 17 mei 1999, dat P. - ook al was hij positief gestemd over de mogelijkheden om voor appellant een andere functie te vinden - die garantie uitdrukkelijk niet wilde geven, en dat appellant dat ook zo heeft begrepen en zich ervan bewust was dat het risico van ontslag aanwezig was.

3.3. Ook voor de stelling dat P. in mei 1999 te zware druk uitoefende op appellant om zijn functie ter beschikking te stellen, terwijl appellant in die tijd in een psychisch labiele toestand verkeerde, bevatten de gedingstukken geen aanknopingspunten. De Raad merkt hierbij nog op, dat appellant zelf ook te kennen had gegeven wel bij de VC weg te willen en dat appellant bij de onderhandelingen werd bijgestaan door een advocaat.

3.4. Evenmin is de Raad gebleken van een uitdrukkelijke toezegging van P. dat de begeleiding die appellant van zijn eerste externe begeleider, Z., ontving gecontinueerd zou worden. Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat het college niet ten onrechte de relatie met Z. heeft beëindigd en heeft gekozen voor bemiddeling door een ander extern bureau, bureau C, toen bleek dat Z. (vooralsnog) niet wenste mee te werken aan arbeidsbemiddeling, hoewel de bedrijfsarts appellant volledig arbeidsgeschikt en belastbaar achtte.

3.5. Appellant heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat de verwachting is gewekt dat de tijdelijke werkzaamheden die hij vanaf medio mei 1999 is gaan verrichten een blijvend karakter zouden krijgen. Uit het verslag van een gesprek van 26 september 2000 blijkt veeleer dat van de zijde van het college expliciet aan appellant is voorgehouden dat deze werkzaamheden niet tot een plaatsing konden leiden.

3.6. De Raad onderkent dat door de achtereenvolgende inschakeling van twee bureaus voor externe begeleiding tijd verloren is gegaan die anders wellicht aan actieve bemiddeling had kunnen worden besteed. De Raad kan er echter niet aan voorbijzien dat dit tijdverlies mede is veroorzaakt door de weinig voortvarende wijze waarop appellant zelf in het proces van bureaukeuze heeft geopereerd. Bovendien is er door het college terecht op gewezen dat het MOC gedurende de gehele herplaatsingsperiode voor begeleiding ter beschikking stond van appellant, maar dat appellant zelf de voorkeur gaf aan begeleiding door een extern bureau. In aanmerking genomen dat het herplaatsings-onderzoek zich uiteindelijk over een periode van bijna drie jaar heeft uitgestrekt, terwijl dit volgens de afspraken in principe maximaal twee jaar zou zijn, kan niet worden gezegd dat appellant in dit opzicht is tekortgedaan.

3.7. Met de rechtbank acht de Raad voorts voldoende aannemelijk dat het MOC aan appellant de (passende) functie van trajectbegeleider nieuwkomers bij de gemeente Hilversum heeft aangeboden, en dat appellant daarop niet in wilde gaan. De daarvoor door appellant aangevoerde reden, te weten dat bureau C. hem begeleidde, rechtvaardigde die weigering niet.

De Raad ziet voorts geen grond voor de stelling dat het college zou hebben berust in het standpunt van appellant, dat de door appellant zelf gevonden functie bij het bedrijf

N. niet passend was. Ook de Raad acht de door appellant opgegeven redenen, dat hij vraagtekens zette bij de bedrijfscultuur en het beleid van het betreffende bedrijf, onvoldoende steekhoudend om te concluderen tot niet-passendheid van deze functie.

3.8. De Raad onderschrijft dan ook de conclusie van de rechtbank dat het college in voldoende mate heeft voldaan aan de verplichting om te trachten appellant te herplaatsen.

Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover in hoger beroep aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R. Kooper en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2007.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) O.C. Boute.