Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA0496

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2007
Datum publicatie
13-03-2007
Zaaknummer
05-1365 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Opleidingsniveau.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1365 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank `s-Hertogenbosch van 20 januari 2005, 03/2685 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft zijn echtgenote L. Beeloo hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2007.

Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. A.E.G. de Jong.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is op 23 november 1994 uitgevallen voor zijn werkzaamheden als loodgieter met klachten over hoofd-, nek- en schouderpijn.

Bij besluit van 31 maart 2003 is de WAO-uitkering van appellant, die laatstelijk was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, per 25 mei 2003 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%.

Bij besluit van 26 augustus 2003 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 31 maart 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de door de verzekeringsarts vastgestelde en door de bezwaarverzekeringsarts onderschreven functionele mogelijkheden van appellant voor onjuist te houden. De rechtbank heeft zich ook kunnen verenigen met de bij de schatting in aanmerking genomen functies. Daarbij heeft de rechtbank met name acht geslagen op het in beroep overgelegde formulier “Toelichting functieduiding CBBS”, waarin het Uwv op voldoende wijze heeft aangegeven dat de belasting van de betrokken functies, de functionele mogelijkheden van appellant niet overschrijdt. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat voor een functie op VBO-niveau geen VBO-diploma vereist is en dat appellant - gezien zijn LTS-diploma - geacht moet worden op dat niveau te kunnen functioneren. Met betrekking tot de voor de subfunctie verfspuiter metaal (SBC-code 262170) gevraagde VBO-niveau technische richting heeft de rechtbank overwogen dat appellant geacht wordt - gelet op de in het “Resultaat Eindselectie” opgenomen functiebeschrijving - met zijn LTS-diploma voldoende technische bagage te bezitten voor deze functie. De rechtbank heeft vervolgens geconcludeerd dat het Uwv bij het bestreden besluit de bij appellant bestaande arbeidsongeschiktheid op en na 25 mei 2003 terecht heeft vastgesteld op 25-35%. Desondanks heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd op grond van het oordeel dat het bestreden besluit niet was voorzien van een zodanig deugdelijke toelichting en motivering dat op grond daarvan voldoende inzicht werd geboden in de medische en arbeidskundige grondslag van de schatting. Aangezien het Uwv in beroep met het verstrekte formulier “Toelichting functieduiding CBBS” het bestreden besluit alsnog heeft voorzien van de ontbrekende toelichting en motivering, heeft de rechtbank aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

Appellant heeft in hoger beroep, uitsluitend opkomend tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit en onder verwijzing naar hetgeen eerder in bezwaar en beroep is aangevoerd, wederom gesteld dat hij jarenlang heeft gewerkt als magazijnmedewerker, daarvoor ongeschikt is bevonden en thans - ten onrechte - geschikt wordt geacht voor een inhoudelijk nagenoeg zelfde functie. Tevens is volgens appellant, gelet op zijn ervaringen uit het verleden, in de thans geduide functie van magazijnmedewerker wel degelijk sprake van veelvuldig voorkomende deadlines.

Voorts is aangevoerd dat er ten onrechte geen aandacht aan is besteed dat appellant de Nederlandse taal niet beheerst en dat een opleiding Nederlandse taal in 2003 (om medische reden) is mislukt.

Verder is appellant van mening dat de door het Uwv gegeven uitleg inzake de aan de geduide functies verbonden opleidingsniveaus niet reëel is, aangezien het door hem behaalde LTS-diploma ruim 30 geleden is behaald en bovendien een geheel andere richting betrof.

Ook is niet gebleken dat de bezwaararbeidsdeskundige heeft gecontroleerd of de arbeidsdeskundige daadwerkelijk abusievelijk het aantal van 2000 heeft genoemd ten aanzien van het aspect reiken. Volgens appellant wordt in de geduide functies op de aspecten reiken en concentreren zijn belastbaarheid overschreden. Tot slot heeft appellant opgemerkt dat hij nog steeds niet in het bezit is gesteld van de functiebeschrijvingen, hoewel hij daarom meerdere malen heeft verzocht.

Met betrekking tot de laatste opmerking overweegt de Raad dat deze feitelijke grondslag mist, omdat de functiebeschrijvingen zich in het aan appellant toegezonden dossier bevinden (gedingstukken B 112.1 en volgende).

Ook de overige grieven slagen naar het oordeel van de Raad niet.

In de eerste plaats overweegt de Raad dat appellant laatstelijk voor zijn uitval per 23 november 1994 werkzaam is geweest als loodgieter. De 40 uren per week werkende loodgieter is appellants maatman. Voor die functie, en dus niet voor de overigens nooit door het Uwv beoordeelde aangepaste functie van magazijnmedewerker, wordt appellant niet langer geschikt geacht.

De Raad begrijpt het betoog van appellant over de in de geduide functie van magazijnmedewerker veelvuldig voorkomende deadlines aldus dat volgens appellant, die zich daarbij baseert op zijn ervaringen uit het verleden, de belasting in deze functie zijn belastbaarheid overschrijdt. Naar het oordeel van de Raad is daarvan echter geen sprake. In de hierboven reeds genoemde “Toelichting functieduiding CBBS” is door het Uwv naar het oordeel van de Raad genoegzaam gemotiveerd dat een belasting op het aspect ‘geen deadlines/pieken’ slechts in één geval voorkomt, maar alleen op incidentele basis bij spoedorders, zodat geen sprake is van veelvuldige deadlines bij de door appellant bekritiseerde functie van magazijnmedewerker. Ook bij de andere functies is geen sprake van veelvuldige deadlines.

Ook de grief dat appellant de Nederlandse taal niet beheerst, leidt niet tot vernietiging van het bestreden besluit. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant de Nederlandse nationaliteit heeft, hij lager onderwijs heeft genoten, het LTS-diploma heeft behaald en jarenlang in diverse, met een aantal van de geduide functies vergelijkbare, functies heeft gewerkt zonder dat gebleken is dat hij daarbij wezenlijke problemen heeft ondervonden met betrekking tot zijn beheersing van de Nederlandse taal. Verder hoeft in geen van de geduide functies, zo heeft het Uwv onomstreden gesteld, in zodanige mate schriftelijk te worden gerapporteerd dat appellant daartoe niet in staat kan worden geacht.

Met betrekking tot de grief over de opleidingsniveaus stelt de Raad vast dat de voor appellant geschikt geacht functie van productiemedewerker filetafdeling (SBC-code 111172) als opleidingseis stelt dat het basisonderwijs moet zijn doorlopen, aan welke eis appellant voldoet. De tot SBC-code 262170 behorende functie van poederspuiter stelt dezelfde opleidingseis. Voorts stelt deze functie als opleidingseis dat betrokkene in staat moet zijn tot het volgen van de interne opleiding poederspuiten. Daarbij is door het Uwv aangegeven dat het hierbij niet gaat om een theoretische opleiding, maar een heel praktische opleiding. Appellant wordt in staat geacht deze te volgen. De Raad kan deze uitleg volgen. De eveneens tot deze SBC-code behorende functie van meubelafwerker/spuiter stelt als opleidingseis: enige jaren vervolgonderwijs zoals VBO. Tevens moet betrokkene in staat zijn de interne bedrijfsopleiding te volgen. Ook aan deze opleidingseis kan appellant geacht worden te voldoen. Tot dezelfde SBC-code behoort ten slotte nog de functie van verfspuiter metaal. Deze functie stelt als opleidingseis: VBO-niveau technische richting. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant met zijn LTS-opleiding, ook al heeft hij naar zijn instelling het LTS-diploma 30 jaar geleden behaald en ook nog in een andere richting (metaal), geacht moet worden voldoende kennis en ervaring te bezitten om deze functie te kunnen vervullen.

De Raad kan appellant evenmin volgen in zijn stelling dat niet is gebleken dat de bezwaararbeidsdeskundige heeft gecontroleerd of de arbeidsdeskundige daadwerkelijk abusievelijk het aantal van 2000 heeft genoemd wat betreft het aspect reiken. Uit het formulier “Toelichting functieduiding CBBS” blijkt immers het tegendeel. Op bladzijde 6 van dat formulier vermeldt de bezwaararbeidsdeskundige letterlijk: “Bij één functie wordt gesproken over reiken tot 2000 keer per uur maar als de afzonderlijke aantallen keren reiken over de diverse afstanden bij elkaar worden opgeteld is de totale hoeveelheid keer dat gereikt moet worden nergens meer dan 560 keer per uur. Ik neem dan ook aan dat door de betrokken arbeidskundig-analist abusievelijk het aantal van 2000 is genoemd.”

Ook de grief dat in de geduide functies sprake is van overschrijdingen van appellants belastbaarheid ten aanzien van de aspecten concentreren en reiken slaagt niet. Uit meergenoemd formulier “Toelichting functieduiding CBBS” blijkt immers dat, in de functies niet de eis van langdurige concentratie op een informatiebron voorkomt. Met betrekking tot het aspect reiken verwijst de Raad naar de toelichting in datzelfde formulier (bladzijde 6), waarin de bezwaararbeidsdeskundige heeft aangegeven dat in alle gevallen het reiken beperkt blijft tot minder dan 600 keer per uur. Deze belasting valt binnen de ten aanzien van appellant vastgestelde belastbaarheid op dit aspect.

Tot slot overweegt de Raad dat appellant geen gegevens heeft ingebracht waarmee hij aannemelijk heeft gemaakt dat de geduide functies hem gezien zijn belastbaarheid toch niet kunnen worden opgedragen.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep faalt, zodat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten moet worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J. Brand en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2007.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.