Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA0469

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-03-2007
Datum publicatie
13-03-2007
Zaaknummer
05-5825 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering tegemoetkoming ziektekosten. Houdbaarheid van een letterlijke toepassing van artikel 3 Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2007/161
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5825 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 10 augustus 2005, 05/193 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: minister)

Datum uitspraak: 1 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2007. Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde, mr. D.C. Coppens, advocaat te Amsterdam. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.E. van Dijk en D. Murli, beiden werkzaam bij het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: VROM).

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft, als ambtenaar bij het ministerie van VROM, in maart 2004 een aanvraag gedaan om een tegemoetkoming op grond van het Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel (hierna: Btzr). De minister heeft deze aanvraag afgewezen op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van het Btzr. Ingevolge deze bepaling ontvangt de ambtenaar geen tegemoetkoming wanneer hij zelfstandig verplicht verzekerd is krachtens de Ziekenfondswet (hierna: Zfw). Naast zijn ambtelijke betrekking was appellant ook als zelfstandige werkzaam. Hij was uit dien hoofde verplicht verzekerd krachtens de Zfw. De minister heeft de afwijzende beslissing na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 31 december 2004.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft overwogen dat er geen aanleiding was aan te haken bij de overwegingen in het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 16 december 2003, LJN AO2376, omdat het in die kwestie ging om toepassing van een ander besluit (het Besluit tegemoetkoming ziektekosten en inkomenstoeslag onderwijs- en onderzoek-personeel - hierna ZKOO) in een civielrechtelijke rechtsbetrekking. Verder schaarde de rechtbank zich achter een uitspraak van de Raad van 28 augustus 2003, LJN AK4533, waarin is overwogen dat het niet aan de rechter is om de innerlijke waarde van wettelijke voorschriften te beoordelen en waarin letterlijke toepassing van artikel 3 van het Btzr niet onhoudbaar is geacht.

3. Appellant heeft in hoger beroep opnieuw een beroep gedaan op het onder 2. genoemde arrest. Daarin is, in een civielrechtelijk geding van een onderwijsgevende betreffende de weigering van een tegemoetkoming krachtens het - met het Btzr vergelijkbare - ZKOO overwogen en beslist dat geen rechtvaardiging aanwezig is voor het maken van onderscheid tussen onderwijspersoneel dat wel of niet als zelfstandige ingevolge de Zfw is verzekerd. Appellant heeft bepleit dat de Raad afstand neemt van zijn uitspraak van 4 mei 2005, LJN AT5550 en TAR 2005, 121.

4. De minister ziet geen enkele aanleiding om af te wijken van de bepalingen van het Btzr.

5. De Raad overweegt naar aanleiding hiervan als volgt.

5.1. In dit geding is aan de orde de houdbaarheid van een letterlijke toepassing van artikel 3 van het - inmiddels ingetrokken - Btzr en het als gevolg daarvan gemaakte onderscheid naar gelang een belanghebbende verzekerd is krachtens de Zfw, of niet. In zijn onder 3. vermelde uitspraak, die over een soortgelijke kwestie gaat, heeft de Raad uiteengezet dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen. Anders dan appellant heeft betoogd, acht de Raad binnen het geheel van rechtspositionele voorzieningen in verband met ziektekosten, het al dan niet verzekerd zijn krachtens de Zfw wezenlijk. De verwijzing door appellant naar het arrest van het gerechtshof heeft de Raad niet op andere gedachten gebracht. De Raad heeft daarom geen aanleiding om van zijn rechtspraak betreffende de houdbaarheid van een letterlijke toepassing van artikel 3 van het Btzr - die ook reeds aan de orde was in zijn onder 2. genoemde uitspraak van 28 augustus 2003 - terug te komen.

Die aanleiding ziet de Raad evenmin in de door appellant genoemde omstandigheid dat het ZKOO na het arrest is gewijzigd in de door het gerechtshof bedoelde zin. De Raad wijst erop dat het Btzr en het ZKOO afkomstig zijn van dezelfde regelgever, maar dat die het - naar van de zijde van de minister is verklaard, na uitdrukkelijke interdepartementale afweging - niet nodig heeft geoordeeld het Bztr op dit onderdeel te wijzigen. Verder is aan de wijziging van het ZKOO slechts terugwerkende kracht gegeven tot de ingangs-datum van de eerste declaratieperiode na het arrest van het gerechtshof en niet tot het moment waarop het onderscheid is ontstaan.

6. Het vorenstaande brengt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K. Zeilemaker en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2007.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) W.M. Szabo.

HD

08.02