Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA0460

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-03-2007
Datum publicatie
13-03-2007
Zaaknummer
05-6032 AW en 06-4683 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging van het functieniveau van kennismakelaars naar schaal 11. Geen aanknopingspunten voor de stelling dat de verwachting is gewekt dat betrokkene met de nieuwe functie uitzicht kreeg op een aanstelling in salarisschaal 12.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6032 AW en 06/4683 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van bestuur van het LSOP, te Apeldoorn (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 5 september 2005, 04/1670 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 1 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 6 oktober 2005 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Hierop is door betrokkene gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.G. van den Bergh, werkzaam bij het LSOP. Betrokkene is verschenen met bijstand van mr. J.P.L.C. Dijkgraaf, advocaat te Den Haag.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was sinds 1999 werkzaam als beleidsmedewerker Politie Kennis Net (PKN) bij het LSOP, laatstelijk bezoldigd volgens schaal 11. Omdat haar functie zou komen te vervallen, is haar in het voorjaar van 2002 de functie van kennismakelaar aangeboden. Kennismakelaars bij het LSOP waren tot dan toe ingeschaald op het niveau van Projectleider D (schaal 12). In het concept-bedrijfsplan PKN, dat ook in het voorjaar verscheen, was voorzien in uitbreiding van het aantal kennismakelaars en in verlaging van het schaalniveau tot dat van Projectleider C (schaal 11). Tijdens een gesprek met de directeur PKN op 23 juli 2002 heeft betrokkene de aangeboden functie aanvaard.

1.2. Bij besluit van 2 april 2003 is betrokkene, vooruitlopend op het definitieve plaatsingsbesluit, zodra de formatie van PKN door appellant formeel is vastgesteld, met terugwerkende kracht tot 1 september 2002 aangesteld als kennismakelaar, waarbij de bezoldiging is vastgesteld op schaal 11 met 7 periodieken. Hiertegen heeft zij bezwaar gemaakt. Bij brief van 3 maart 2004 is betrokkene ervan in kennis gesteld dat met de goedkeuring van het bedrijfsplan op 2 februari 2004 ook de door haar uitgeoefende functie van Projectleider C is vastgesteld. Bijgevoegd waren de geaccordeerde beschrijving en waardering van de betrokken functie, uitkomend op het niveau van salarisschaal 11. Hiertegen heeft zij geen bezwaar gemaakt. Het bezwaar tegen het besluit van 2 april 2003 is ongegrond verklaard bij besluit van 28 oktober 2004.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard en het besluit van 28 oktober 2004 vernietigd, met de opdracht een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Daartoe heeft zij overwogen dat de inschaling van betrokkene per 1 september 2002 niet berust op een - op dat moment - door het bevoegd gezag vastgestelde functiebeschrijving en -waardering, maar op een min of meer subjectieve inschatting zijdens appellant van de zwaarte van de functie. Een dergelijke wijze van inschaling heeft de rechtbank in strijd met het beginsel van rechtszekerheid geacht en met artikel 6, tweede lid, van het Besluit bezoldiging politie (BBP), dat bepaalt dat voor de bepaling van de salarisschaal de functie van de ambtenaar wordt gewaardeerd en ingedeeld op grond van een systeem van functiewaardering. Appellant was uit een oogpunt van rechtszekerheid en gelijke behandeling van gelijke gevallen, en bij gebreke aan een formeel vastgestelde andersluidende waardering, naar het oordeel van de rechtbank gehouden betrokkene per 1 september 2002 op een vergelijkbare wijze als de overige kennismakelaars in te schalen.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep betoogd, dat de rechtbank heeft miskend dat de zwaarte van de functie in 2002 afnam in vergelijking met de “pionierstijd” in 2000.door de uitbreiding van het aantal kennismakelaars en de evenredige vermindering van het werkterrein. De indicatief vastgestelde waardering op schaal 11 is bij de vaststelling van het bedrijfsplan en de daarmee samenhangende functiebeschrijving en functiewaardering in februari 2004 bevestigd. De rechtbank heeft een te vergaande betekenis gehecht aan artikel 6, tweede lid, van het BBP. Dat artikel verzet zich volgens appellant niet tegen een persoonlijke inschaling in afwachting van de definitieve vaststelling van een functiewaardering. De nieuw te verwachten inschaling is in juni 2002 door middel van een vacatureopenstelling bekend gemaakt en vervolgens toegepast op alle daarna aangestelde kennismakelaars, hetgeen betekent dat er sprake was van een tevoren deugdelijk bekend gemaakt en consistent beleid. Het beroep op de beginselen van rechtszekerheid en gelijke behandeling van gelijke gevallen gaat niet op, aldus appellant.

3.2. Betrokkene heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. Zij heeft onder meer doen betogen dat appellant zich voor de waardering van de situatie van 2002 niet kan verschuilen achter een discussie die pas in 2004 afgerond zal zijn. Bij het aanbieden van de functie in maart 2002 en ook op 1 september 2002 bij de daadwerkelijke aanstelling wordt de functie van kennismakelaar geacht gewaardeerd te zijn op schaal 12.

4. Naar aanleiding van hetgeen door partijen in hoger beroep naar voren is gebracht overweegt de Raad het volgende.

4.1. De Raad stelt allereerst vast dat betrokkene geen bezwaren heeft (gemaakt) tegen de haar bij brief van 3 maart 2004 kenbaar gemaakte waardering van haar functie op het niveau van schaal 11, zodat die waardering thans als een gegeven moet worden beschouwd.

4.2. De Raad acht niet uitgesloten dat betrokkene, die toentertijd als lid van de ondernemingsraad goed op de hoogte moet zijn geweest van de beleidsvoornemens, reeds in het voorjaar van 2002 op de hoogte was van de voorgenomen verlaging van het functieniveau van kennismakelaars naar schaal 11. Maar ook indien moet worden aangenomen dat dit niet het geval is, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor de stelling dat bij haar de rechtens te honoreren verwachting is gewekt dat zij met haar nieuwe functie uitzicht kreeg op een aanstelling in salarisschaal 12. Zo blijkt uit de betreffende vacatureopenstelling van 13 juni 2002 dat voor de functie een schaalindicatie 11 gold. Voorts blijkt uit een mailbericht van betrokkene van 23 juli 2002, waarin zij vraagt waarom de functie in schaal 11 is gewaardeerd, dat betrokkene zich op het moment dat zij de functie aanvaardde van dat beoogd schaalniveau bewust was. Uit het gegeven dat dit mailbericht werd verzonden naar aanleiding van een gesprek dat zij diezelfde dag met de directeur over de voorwaarden voor haar nieuwe functie had gehad, maakt de Raad ook op dat bij haar van die (bevoegde) zijde geen andersluidende verwachting is gewekt.

4.3. De Raad acht voorts voldoende aannemelijk, dat de nieuwe situatie die vanaf 2002 werd beoogd zozeer verschilde van de pioniersfase van 2000, dat appellant niet in strijd handelde met het beginsel dat gelijke gevallen gelijk dienen te worden behandeld door - vooruitlopend op de definitieve functiewaardering - te besluiten tot een lagere inschaling van de nieuw aan te stellen kennismakelaars, waaronder betrokkene.

4.4. Tenslotte ziet de Raad, anders dan de rechtbank, in de handelwijze van appellant geen schending van artikel 6, tweede lid, van het BBP. Met appellant is de Raad van oordeel dat bedoeld artikel zich niet verzet tegen een tijdelijke persoonlijke inschaling als hier aan de orde, vooruitlopend op de aangekondigde vaststelling en indeling van een functie met terugwerkende kracht.

5. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd en het beroep ongegrond worden verklaard. Daarmee ontvalt de grondslag aan het ter uitvoering van die uitspraak gegeven nadere besluit, welk besluit op de voet van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in dit geding wordt betrokken, zodat ook dit besluit moet worden vernietigd.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 28 oktober 2004 ongegrond;

Vernietigt het besluit van 6 oktober 2005.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2007.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) O.C. Boute.

HD

09.02