Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA0459

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-03-2007
Datum publicatie
13-03-2007
Zaaknummer
05-1331 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1331 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 19 januari 2005, 04/680 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.M. van der Zouwen, advocaat te Oosterhout, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2007. Namens appellante is mr. Van der Zouwen verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.M.G.M.W. Heijnen.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is op 24 maart 1997, onder meer in verband met maagklachten, uitgevallen voor haar werkzaamheden als glassorteerder. Per 23 maart 1998 is aan haar een uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op 29 augustus 2003 is appellante door een verzekeringsgeneeskundige van het Uwv onderzocht. Naar aanleiding van dat onderzoek is een zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Aan de hand van die FML, en naar aanleiding van een gesprek met appellante op 13 oktober 2003, heeft een arbeidsdeskundige van het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid bepaald. Geconcludeerd werd dat appellante zowel geschikt was om haar eigen werkzaamheden te verrichten als dat aan haar voldoende functies konden worden geduid waarin zij geen inkomensverlies zou leiden. Dat leidde tot het besluit van 22 oktober 2003 waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 22 december 2003 werd gesteld op minder dan 15%, zodat de WAO-uitkering per die datum werd ingetrokken.

Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van dat bezwaar is de FML aangepast en zijn meer beperkingen aangenomen op de aspecten tocht en stof/rook/gassen/dampen. Deze aanpassing bracht mee dat enkele van de geduide functies dienden te vervallen. De uitkomst van de schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid bleef echter dezelfde, om welke reden het Uwv bij het thans bestreden besluit van 23 februari 2004 het bezwaar van appellante ongegrond heeft verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dat beroep is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellante vanwege het Uwv is onderzocht en dat informatie van de huisarts is verkregen. Naar aanleiding hiervan zijn volgens de rechtbank niet te geringe beperkingen aangenomen. Door appellante is voorts geen informatie ingebracht die doet twijfelen aan de juistheid van de conclusies van het Uwv. De rechtbank onderschreef ten slotte dat ondanks het laten vervallen van drie geduide functies de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bleef.

De stellingen van appellante in hoger beroep vormen in wezen een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd. Appellante stelt dat haar gezondheid alleen maar is verslechterd na 1998. Zij heeft een aantal chronische klachten waardoor zij de geduide functies niet kan vervullen. Bovendien wijst zij op de gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal en haar geringe opleiding en werkervaring. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellante nog betoogd dat de jurisprudentie van de Raad met betrekking tot het gebruik van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) er toe moet leiden dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad kan zich verenigen met het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit en de uiteindelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies en hetgeen de rechtbank daartoe heeft vastgesteld en overwogen. De Raad voegt daar nog het volgende aan toe. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante onvoldoende gegevens heeft ingebracht waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het door het Uwv verrichte onderzoek naar de mogelijkheden van appellante onzorgvuldig of onjuist is geschied. De Raad heeft evenmin aanleiding om te concluderen dat ten aanzien van appellante meer beperkingen zouden moeten worden aangenomen dan door het Uwv zijn vastgesteld. De Raad is dan ook, met de rechtbank, van oordeel dat appellante in staat moet worden geacht de haar geduide functies te vervullen. De Raad wijst er daarbij op dat uitdrukkelijk rekening is gehouden met de beperkingen die appellante in verband met haar maagprobleem bij het buigen ondervindt. Gelet op de beschrijvingen van de geduide functies en de uiterst geringe vereisten die aan de betreffende werkzaamheden worden gesteld, is de gestelde geringe beheersing van het Nederlands van appellante en haar geringe opleiding en werkervaring voor het vervullen daarvan geen bezwaar. Ten slotte is de Raad, met het Uwv, van oordeel dat het bestreden besluit niet strijdig is met het oordeel van de Raad zoals dat is neergelegd in de uitspraken van 9 november 2004 (LJN AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, 4721 en AR4722) aangaande het gebruik van het CBBS omdat reeds in de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv van 19 februari 2004 gemotiveerd is onderbouwd dat er geen sprake was van overschrijdingen van de belastbaarheid in de geduide functies.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en H.G. Rottier als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M. Gunter.