Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA0453

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2007
Datum publicatie
13-03-2007
Zaaknummer
05-6310 AW en 05-6421 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dubbel hoger beroep. Primair strafontslag, subsidiair eervol ontslag. Privé-contacten tussen betrokkene en collega. In ernstige mate grensoverschrijdend gedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6310 AW en 05/6421 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn (hierna: college), en

[betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 12 september 2005, 04/249 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

het college

Datum uitspraak: 22 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Het college heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft eveneens hoger beroep ingesteld.

Betrokkene en het college hebben een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de Raad heeft betrokkene nog een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2007. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.A.M. ten Brink, juridisch adviseur te Almere, en P.C. Maassen van den Brink, werkzaam bij de gemeente Apeldoorn. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.J. Roossien, advocaat te Elburg.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene is op 1 september 1994 in dienst getreden van de gemeente Apeldoorn als inspecteur bij de afdeling Bouwtoezicht van de toenmalige dienst Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting, thans dienst Ruimtelijke Ordening en Wonen. Medio 1999 zijn er privécontacten ontstaan tussen betrokkene en een collega, mevrouw B, werkzaam als assistent-projectleider op de afdeling Dienstverlening en Publieksvoorlichting van de toenmalige dienst Strategie en Communicatie. Mevrouw B kende destijds persoonlijke problemen, verband houdende met gebeurtenissen in haar jeugd en het feit dat zij van haar man, aan wie zij was uitgehuwelijkt, wilde scheiden. Nadat mevrouw B haar echtgenoot had verlaten, heeft zij van december 1999 tot november 2000 bij betrokkene en diens echtgenote gewoond.

1.2. Bij brief van 7 maart 2001 heeft mevrouw B bij de klachtencommissie van de gemeente Apeldoorn ten aanzien van betrokkene een klacht ingediend op grond van de Klachtenregeling ongewenste omgangsvormen. Naar aanleiding van deze klacht heeft het college het onderzoeksbureau Bezemer en Kuiper te Rotterdam (hierna: de onderzoeks-commissie) gevraagd de klacht te onderzoeken. In het op 14 december 2001 door de onderzoekscommissie uitgebrachte rapport heeft die commissie vastgesteld dat het gedrag van betrokkene jegens mevrouw B in ernstige mate grensoverschrijdend is geweest en is de klacht op enkele punten gegrond geacht. Ten aanzien van de overige onderdelen van de klacht achtte de commissie het niet onaannemelijk dat die gebeurtenissen hadden plaatsgevonden, maar was dat niet voldoende te staven op grond van bijvoorbeeld de getuigenverklaringen.

1.3. Naar aanleiding van een aangifte van mevrouw B terzake van verkrachting en andere strafbare feiten, gepleegd door betrokkene, is betrokkene op 11 mei 2001 door de politie aangehouden en in verzekerde bewaring gesteld. Op 20 juli 2001 is de voorlopige hechtenis geschorst. Bij brief van 16 december 2002 heeft de officier van justitie betrokkene medegedeeld niet tot (verdere) vervolging over te gaan, omdat daarvoor onvoldoende wettig bewijs aanwezig werd geacht.

1.4. Bij besluit van 1 juni 2001 is betrokkene geschorst en is hem de toegang tot het stadhuis ontzegd, waarin betrokkene heeft berust. Na het voornemen daartoe op 26 maart 2002 kenbaar te hebben gemaakt, heeft het college bij besluit van 14 mei 2002 betrokkene met ingang van 16 mei 2002 primair wegens ernstig plichtsverzuim de straf van disciplinair ontslag opgelegd op grond van artikel 8:13 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst gemeente Apeldoorn (hierna: CAR/UWO). Voor het geval dit ontslag geen stand zou kunnen houden is betrokkene subsidiair eervol ontslag verleend op andere gronden als bedoeld in artikel 8:8 van de CAR/UWO, waarbij betrokkene een uitkering conform artikel 10a van de CAR/UWO is toegekend. Na bezwaar is dat besluit gehandhaafd bij het bestreden besluit van 23 januari 2004.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel uitgesproken dat op basis van het rapport van de onderzoekscommissie niet met voldoende zekerheid vastgesteld kan worden dat het aan betrokkene gemaakte verwijt van seksueel misbruik onder dwang daadwerkelijk heeft plaatsgevonden op een wijze als door mevrouw B gesteld. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de door de onderzoekscommissie gehanteerde criteria, waarop het waarheidsgehalte van de afzonderlijke verklaringen van betrokkene en mevrouw B is getoetst, in verregaande mate gebaseerd zijn op subjectieve indrukken en uiterlijke waarnemingen van de onderzoekers. Voor zover de onderzoekscommissie haar eindconclusie mede heeft gebaseerd op verklaringen van derden, betreft het zogeheten de-auditu-verklaringen. De rechtbank achtte een dergelijke wijze van waarheidsvinding niet toereikend om op een deugdelijke en objectieve wijze te kunnen concluderen dat de verklaringen van mevrouw B meer geloofwaardig zouden zijn dan die van betrokkene. Naar het oordeel van de rechtbank ontbrak een voldoende feitelijke grondslag om het in geding zijnde disciplinair ontslag te kunnen dragen. Wel was de rechtbank van oordeel dat betrokkene de als ambtenaar in acht te nemen gedragsnormen had overschreden en zich hierdoor niet had gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. Gelet hierop was de rechtbank van oordeel dat een ontslag op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO, onder toekenning van de in het bestreden besluit vervatte uitkeringsregeling, de rechterlijke toets kon doorstaan. Onder bepalingen met betrekking tot proceskosten en griffierecht is het beroep van betrokkene voor zover betrekking hebbend op het disciplinaire ontslag gegrond verklaard, het bestreden besluit in zoverre vernietigd en het primaire besluit in zoverre herroepen. Het beroep tegen het ontslag op andere gronden is ongegrond verklaard.

2.2. Het hoger beroep van het college richt zich tegen dat onderdeel van de aangevallen uitspraak, waarbij het beroep van betrokkene gegrond is verklaard en het bestreden besluit is vernietigd.

Betrokkene keert zich in hoger beroep tegen het in stand laten van het ontslag op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO.

3. De Raad overweegt het volgende.

3.1. Het aan betrokkene verweten plichtsverzuim bestaat uit:

- het doen ontstaan van een situatie op de werkplek waarin mevrouw B zich niet veilig heeft gevoeld, onder meer ook omdat betrokkene haar veelvuldig op die werkplek heeft bezocht en telefonisch heeft benaderd, terwijl daartoe geen functionele aanleiding bestond;

- een poging tot seksuele gemeenschap in het toilet op de kelderverdieping van het stadhuis;

- het leggen van de handen op de billen van mevrouw B tijdens werktijd;

- het versturen van kwetsende en bedreigende sms-berichten, waarin betrokkene bedreigingen uit van zwarte magie en mevrouw B bedreigt met het naar buiten brengen van haar verleden.

Naar het oordeel van het college heeft betrokkene misbruik gemaakt van het van mevrouw B gewonnen vertrouwen en heeft hij, gebruikmakend van zijn geestelijk overwicht op haar, mevrouw B geheel onder zijn invloedssfeer gebracht. De gevolgen van betrokkenes gedrag hebben zich bij mevrouw B geuit in een onveilig gevoel op de werkplek, disfunctioneren en ziekteverzuim.

3.2. Zoals ook de rechtbank heeft geconstateerd, stemmen de door betrokkene en mevrouw B afgelegde verklaringen voor wat betreft de feitelijke gebeurtenissen en handelingen grotendeels overeen. Betrokkene erkent met mevrouw B een seksuele relatie te hebben gehad, maar ontkent dat daarbij van zijn kant sprake was van seksueel misbruik onder geestelijke dwang. Volgens betrokkene was niet mevrouw B, maar juist hij degene die werd gechanteerd en werd gedwongen tot seksuele gemeenschap. Het college zou ten onrechte aan de verklaringen van mevrouw B meer geloof hebben gehecht dan aan zijn verklaringen. Betrokkene heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat hij onder dwang van mevrouw B heeft gehandeld, aangevoerd dat mevrouw B een wig probeerde te drijven tussen hem en zijn vrouw en dat mevrouw B, toen dat niet bleek te lukken, dreigde hun relatie aan zijn echtgenote te vertellen. Voorts was hij bang voor represailles van de Turkse familie van mevrouw B.

3.3. De Raad hecht weinig geloof aan deze stellingen van betrokkene, temeer niet nu deze op geen enkele wijze nader zijn onderbouwd. Daarbij komt dat, indien de relatie tussen betrokkene en mevrouw B bij haar familie bekend zou worden, mevrouw B evenzeer represailles te vrezen zou hebben, zodat de Raad het niet waarschijnlijk acht dat mevrouw B betrokkene met haar familie zou hebben gechanteerd. Voorts wil het de Raad voorkomen dat mevrouw B, zo daarvan al sprake is geweest, niet met succes zou hebben kunnen dreigen met het openbaar maken van de relatie met betrokkene aan diens echtgenote, indien betrokkene een dergelijke relatie niet zelf was begonnen, waaraan de Raad nog toevoegt dat het hem onwaarschijnlijk voorkomt dat betrokkenes echtgenote niet van het bestaan van de relatie op de hoogte was.

3.4. Dat het initiatief tot die seksuele relatie van mevrouw B is uitgegaan en hij daaraan geen weerstand kon bieden, zoals betrokkene stelt, acht de Raad evenmin geloofwaardig. De Raad merkt in dit verband op dat het betrokkenes beslissing was om mevrouw B in huis te nemen. Ook hebben betrokkene en zijn vrouw mevrouw B geschenken gegeven ter waarde van, naar betrokkenes eigen zeggen, zo’n f 10.000,-. Er is zelfs sprake geweest van het bouwen van een nieuw huis en het in verband daarmee opmaken van een samenlevingscontract tussen betrokkene, zijn echtgenote en mevrouw B. Voorts staat op grond van de door betrokkene bij de politie afgelegde verklaringen vast dat betrokkene bij mevrouw B op haar kamer, vóór het bed op de grond, heeft geslapen. Ook heeft mevrouw B bij betrokkenes echtgenote in het echtelijk bed geslapen en betrokkene op de grond ernaast of zelfs, af en toe, gedrieën in één bed, een en ander om mevrouw B, die ’s nachts vaak schreeuwend wakker werd, te beschermen. Betrokkene heeft voorts tegenover de politie bevestigd tegen mevrouw B te hebben gezegd dat zij bewerkt was door de satan en dat zij enkel door God bevrijd kon worden. Ook heeft betrokkene volgens zijn eigen verklaring tegen mevrouw B gezegd, gezien te hebben dat mevrouw B indien zij een aanval had, door boze geesten werd bevangen. Ook in de door betrokkene aan mevrouw B gezonden sms-berichten op 16 februari 2001 wordt zij onder meer uitgemaakt voor satanskind.

3.5. In het vorenstaande vindt de Raad een bevestiging van de verklaringen van mevrouw B dat betrokkene haar onder zijn invloedssfeer heeft gebracht, waardoor B hem aanvankelijk haar vertrouwen heeft geschonken en op zijn adviezen en zijn verlangens is ingegaan.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat er voldoende aanleiding is om aan de verklaringen van mevrouw B meer waarde en geloof te hechten dan aan die van betrokkene. Zoals ook de onderzoekscommissie heeft overwogen, zijn de verklaringen van mevrouw B congruent en consistent. Dat de geconstateerde inconsistentie en incongruentie in betrokkenes verklaringen deels te maken zou hebben met zijn positie als aangeklaagde en het feit dat hij geheel onverwacht door de politie werd aangehouden, acht de Raad een onvoldoende overtuigende verklaring. De Raad wijst er in dit verband op dat betrokkene weliswaar al de volgende dag, maar pas bij zijn vierde verhoor, heeft erkend dat er een seksuele relatie tussen hem en mevrouw B had bestaan. Daarnaast heeft betrokkene zowel bij de verhoren door de politie als ten overstaan van de onderzoekscommissie meermalen ontkend dat er video-opnames van hem en mevrouw B zijn gemaakt, terwijl betrokkene op de hoorzitting opeens wel twee videobanden bij zich had waaruit zijns inziens zou blijken dat er van een dwangpositie van mevrouw B geen sprake was. Met betrekking tot die banden merkt de Raad overigens op dat hij daaraan niet die waarde kan toekennen die betrokkene daaraan kennelijk toegekend wil zien. De onderzoekscommissie die de banden op verzoek van het college heeft bekeken, heeft namelijk vastgesteld dat die opnames in mei 2002 - derhalve na afronding van het onderzoeksrapport - zijn gemonteerd en derhalve geen getrouw beeld behoeven te geven van wat werkelijk is gebeurd.

3.6. Met betrekking tot de verklaringen van derden waarop de onderzoekscommissie haar verklaringen mede gebaseerd heeft, overweegt de Raad dat mevrouw B ook tegenover die derden consistent is gebleven in hetgeen zij heeft verklaard. Voorts kan niet worden gezegd dat hetgeen die personen hebben verteld over de door hen geconstateerde contacten op het werk tussen betrokkene en mevrouw B, berust op de-auditu-verklaringen. Dit geldt evenmin voor hetgeen bijvoorbeeld door de bedrijfsmaatschappelijk werker is verklaard over de door hem waargenomen achteruitgang van de psychische gezondheid van mevrouw B. Als gevolg hiervan is mevrouw B zelfs opgenomen geweest in een centrum voor psychotherapie.

De voor de Raad onverklaarbaar gebleven, door mevrouw B gearrangeerde ontmoeting met betrokkene in de Cantharel, vormt voor de Raad onvoldoende grond om aan de geloofwaardigheid van B te twijfelen.

4.1. Op grond van al het vorenstaande komt de Raad tot de slotsom dat het college bij het bestreden besluit terecht en op goede gronden heeft aangenomen dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan de hem verweten gedragingen zoals hiervoor onder 3.1. vermeld en dat deze gedragingen kunnen worden aangemerkt als ernstig plichtsverzuim. Op grond hiervan was het college bevoegd tot het opleggen van een disciplinaire straf.

4.2. De Raad acht het vastgestelde plichtsverzuim toe te rekenen aan betrokkene en acht de straf van ontslag daaraan niet onevenredig. Evenals het college acht de Raad daarbij niet alleen van belang de poging tot seksuele gemeenschap binnen het dienstgebouw, de kwetsende en bedreigende sms-berichten aan het adres van B en de andere onder 3.1. genoemde feiten, maar vooral ook het misbruik dat betrokkene heeft gemaakt van de kwetsbare positie waarin B verkeerde. Ook de Raad is van oordeel dat betrokkene door zijn handelwijze het voor een goede werkrelatie noodzakelijke vertrouwen onherstelbaar heeft beschadigd en dat het college op goede gronden heeft geconcludeerd dat betrokkene niet op de werkvloer kon worden gehandhaafd.

4.3. Nu het bestreden besluit op de primair daarin opgenomen grond stand houdt, behoeft de subsidiair in het bestreden besluit opgenomen ontslaggrond geen bespreking meer. Dit leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak in zijn geheel voor vernietiging in aanmerking komt en dat het beroep van betrokkene ongegrond dient te worden verklaard.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten door het college;

Verklaart het beroep van betrokkene ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink- Jonkers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan en als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2007.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) R.A. Huizer.

HD

10.02