Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA0450

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-03-2007
Datum publicatie
13-03-2007
Zaaknummer
05-6320 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet omzetten van tijdelijk dienstverband naar een vast dienstverband: opzeggen vertrouwen, geen basis meer om nog langer te fungeren als afdelingshoofd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/111
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6320 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 22 september 2005, 05/696 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: college)

Datum uitspraak: 1 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. L.N.J.B. van Osch, advocaat te Tilburg. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O.P. de Gier en dr. M. Wilke, beiden werkzaam bij de gemeente Tilburg.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant is per 1 mei 2003 aangesteld als ambtenaar in algemene dienst bij de gemeente Tilburg, in de functie van hoofd Onderwijs & Jeugd bij de dienst Beleidsontwikkeling. Het betrof een tijdelijke aanstelling met een proeftijd van een jaar.

1.2. Al spoedig openbaarden zich problemen in de samenwerking met de drie teammanagers, aan wie appellant leiding moest geven. Tijdens beoordelingsgesprekken in de periode juli - september 2003, is hem door de directeur Beleidsontwikkeling voorgehouden dat hij zich meer als leidinggevende diende te profileren. Ook na een gesprek dat op 6 oktober 2003 plaatsvond tussen de directeur, appellant en de drie teammanagers is geen verbetering opgetreden. De teammanagers hebben op 27 november 2003 bij de directeur het vertrouwen in appellant opgezegd, waarna de directeur appellant heeft meegedeeld dat er naar zijn oordeel geen basis meer bestond om nog langer te fungeren als afdelingshoofd. In een vervolggesprek op 8 december 2003 heeft appellant deze conclusie onderschreven.

1.3. Bij besluit van 30 januari 2004 is aan appellant meegedeeld dat zijn tijdelijk dienstverband niet werd omgezet in een vast dienstverband, en dat zijn dienstverband met ingang van 1 mei 2004 van rechtswege zou eindigen. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 17 januari 2005.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft niet betwist dat hij er niet in geslaagd is de onder hem ressorterende teammanagers als leidinggevende aan te sturen. Hij heeft echter de grief geuit dat het college met de gekozen organisatiestructuur een situatie heeft gecreëerd waarin dat aspect van appellants functie tot mislukken gedoemd was. Voorts zou hem onvoldoende tijd tot verbetering zijn gegund. Gelet op dit aandeel van het college in het onvoldoende functioneren van appellant had het besluit om het dienstverband niet te verlengen gepaard moeten gaan met een aanbod van financiële compensatie aan appellant.

4. De Raad overweegt naar aanleiding hiervan als volgt.

4.1. De stelling van appellant dat hem voorafgaand aan zijn aanstelling niet zou zijn meegedeeld dat de managementstructuur van de afdeling recent, per 1 oktober 2002, was gewijzigd, is door het college weersproken. De Raad acht het niet aannemelijk dat tijdens de sollicitatieprocedure in het geheel geen aandacht zou zijn besteed aan de nieuwe structuur en de daarbij behorende kerntaak van aansturing van drie teammanagers.

De Raad deelt voorts het oordeel van de rechtbank dat zelfs indien appellant in deze stelling zou worden gevolgd, dat niet tot de conclusie kan leiden dat het college een situatie heeft gecreëerd waarin het voor appellant onmogelijk was om in zijn functie te slagen. Appellant is in ieder geval kort na zijn aantreden op de hoogte geraakt van de structuur. Van hem als ervaren leidinggevende op schaal 14-niveau mocht worden verwacht dat hij voldoende leiderschapskwaliteiten bezat om aan zijn taken ook in deze structuur voldoende inhoud te geven.

Dat de structuur zelf dit in objectieve zin ernstig bemoeilijkte of onmogelijk maakte, is door appellant niet aannemelijk gemaakt. Het college heeft in dit verband onweersproken verklaard dat bij de andere afdelingen die eenzelfde structuur kenden, zich geen vergelijkbare problemen voordeden.

4.2. Evenmin kan de Raad appellant volgen in zijn ter zitting van de Raad nog geuite grief, dat hem ten onrechte niet is gemeld dat een van de teamleiders zelf had meegedongen naar de functie van afdelingshoofd. Daargelaten dat een dergelijke mededeling vanuit het oogpunt van bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken sollicitant ongepast zou zijn geweest, merkt de Raad hierover op dat de aanwezigheid van mogelijke (gewezen) concurrenten op de afdeling behoort tot de normale risico’s van het leidinggeven. Voor zover de betrokken teamleider door zijn opstelling voor moeilijkheden heeft gezorgd, mocht van appellant als leidinggevende worden verwacht dat hij met de hem ten dienste staande middelen daartegen doeltreffend optrad.

4.3. De Raad deelt voorts het oordeel van de rechtbank dat aan appellant in de gegeven omstandigheden voldoende gelegenheid tot verbetering is geboden. Hem is reeds tijdens het eerste beoordelingsgesprek op 7 juli 2003 duidelijk gemaakt dat hij meer sturing en leiding moest geven. In de daarop volgende maanden heeft hij hiertoe verschillende gesprekken gevoerd met de teammanagers, maar hij is er niet in geslaagd een geaccepteerde, op de omstandigheden toegesneden, wijze van leidinggeven te ontwikkelen. Aan begeleiding bij dit proces van de zijde van het college heeft het niet ontbroken. Nu appellant ook zelf heeft ingezien dat doorgaan geen zin zou hebben, en daarvan diezelfde dag mededeling heeft gedaan aan het managementteam en de volgende dag aan de medewerkers van de afdeling, kan de Raad niet inzien dat het college hem meer tijd had moeten gunnen voor het verbetertraject.

4.4. Gelet op het vorenstaande ziet de Raad geen grond voor de stelling van appellant, dat het college een zodanig aandeel heeft gehad in het onvoldoende functioneren van appellant, dat het niet verlengen van het dienstverband met een financiële genoegdoening gepaard had behoren te gaan.

5. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K. Zeilemaker en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2007.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) W.M. Szabo.

HD

09.02