Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA0448

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-03-2007
Datum publicatie
13-03-2007
Zaaknummer
05-1901 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1901 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 februari 2005, 03/5779 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P. Goettsch, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2007. Appellante is verschenen bij haar gemachtigde mr. Goettsch. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. Prinsen.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 31 oktober 2003, verder: het bestreden besluit, heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen een eerder genomen besluit waarbij appellante met ingang van 6 april 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is geweigerd, aangezien het Uwv appellante voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van die wet achtte.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat de medische belastbaarheid van appellante bij het bestreden besluit niet is overschat maar dat de motivering waarom appellante geschikt werd geacht voor de met behulp van het zogenaamde Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) geselecteerde functies, ten tijde van het nemen van het bestreden besluit een nog als toereikend aan te merken niveau van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid ontbeerde.

Nu in beroep bij de rechtbank alsnog de gewenst geachte onderbouwing voor die geschiktheid genoegzaam is gegeven, heeft de rechtbank in het voetspoor van 's Raads uitspraken van 9 november 2004, LJNummers AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR4722, met betrekking tot het CBBS het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand worden gelaten.

De Raad kan het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit berust, geheel onderschrijven en maakt dat oordeel tot het zijne.

Naar aanleiding van hetgeen door mr. Goettsch in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad nog het volgende.

Volgens mr. Goettsch leed appellante op de datum in geding, 6 april 2003, ook aan maagklachten. Ten onrechte is zij op dit punt niet verdergaand beperkt geacht wat betreft de belasting met arbeid.

De Raad is van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat appellante op de datum in geding op deze grond meer of anders beperkt had moeten worden dan het Uwv heeft gedaan. In verband hiermee overweegt de Raad dat noch in het rapport van de verzekeringsarts M. Rietveld van 27 maart 2003 noch in het rapport van de behandelend revalidatiearts L.D. Roorda van 10 september 2003 iets wordt vermeld over het bestaan van maagklachten bij appellante.

Wat betreft het vereiste opleidingsniveau in de geselecteerde functies, dat volgens

mr. Goettsch te hoog voor appellante zou zijn, overweegt de Raad dat het in dit geval gaat om de functies van productiemedewerker voedingsmiddelen, caissière en inpakker, waarvan het opleidingsniveau 2 is.

Appellante heeft in Joegoslavië de middelbare school gevolgd en heeft in Nederland gedurende 10 jaar zonder noemenswaardig verzuim als cateringmedewerker gewerkt.

De Raad acht daarom niet aannemelijk dat de hiervoor genoemde functies, waarin het niveau overeenkomt met dat van een voltooide lagere school, voor haar niet geschikt zouden zijn.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en

H.G. Rottier als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2007.

(get.) K.J.S. Spaas

(get.) M. Gunter

MK