Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA0441

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2007
Datum publicatie
13-03-2007
Zaaknummer
06-3865 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering wegens meerinkomen. Lijfrente. Vordering ter zake van de genoten reisvoorziening.

Wetsverwijzingen
Wet op de studiefinanciering
Wet op de studiefinanciering 26
Wet studiefinanciering 2000
Wet studiefinanciering 2000 3.17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2007, 144
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3865 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 7 juni 2006, nr. 05/1768 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 9 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

[naam vader], de vader van appellante, heeft in zijn hoedanigheid van gemachtigde hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2007. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door [naam vader], voornoemd. De IB-Groep was vertegenwoordigd door mr. H.F. Hofstee.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 7 juli 2005 heeft de IB-Groep, wegens overschrijding van de inkomensgrens in het jaar 2002, aan appellante een vordering wegens meerinkomen alsmede een in dat besluit als boete aangeduide vordering ter zake van de door appellante gedurende de maanden januari tot en met december 2002 genoten reisvoorziening opgelegd.

Bij besluit van 12 oktober 2005 heeft de IB-Groep het bezwaarschrift van appellante tegen het besluit van 7 juli 2005 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 12 oktober 2005 bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

De gemachtigde van appellante heeft bij beroepschrift aangevoerd dat hij zich onder protest neerlegt bij de uitspraak dat de teveel gekregen studiefinanciering moet worden terugbetaald. Als eerzaam burger met een onbesproken sociaal, maatschappelijk en fiscaal gedrag kan hij zich niet neerleggen bij de boete die moet worden voldaan. Een straf moet in verhouding staan tot de vermeende overtreding. Wanneer appellante ten onrechte maar volkomen te goeder trouw € 894,12 teveel aan studiefinanciering heeft ontvangen, dan is een straf met een boete van € 726,96 iets wat in geen enkele verhouding staat tot de vermeende overtreding. Er was geen sprake van bewuste overtreding, maar van een misverstand. Appellante was zich er niet van bewust dat haar lijfrente (waarover inkomstenbelasting is betaald) tot het toetsingsinkomen zou worden gerekend.

Voor zover de gemachtigde van appellante ter zitting heeft beoogd te betwisten dat sprake is van meerinkomen, merkt de Raad op dat de gekozen lijfrenteconstructie enerzijds uit fiscaal oogpunt aantrekkelijk is, maar anderzijds uit studiefinancieringoogpunt nadelig kan uitpakken indien de lijfrente die meetelt bij het vaststellen van het toetsingsinkomen leidt tot overschrijding van de bijverdiengrens.

Wat betreft de gestelde onevenredigheid tussen de boete en de vermeende overtreding moet worden opgemerkt dat in het primaire besluit ten onrechte het woord 'boete' wordt gebezigd. De Wet studiefinanciering 2000 spreekt anders dan zijn voorganger, de Wet op de studiefinanciering niet van boete. Er wordt ingevolge artikel 3.17, zevende lid, aanhef en onder b, van de Wet studiefinanciering 2000 slechts een compensatoire vordering opgelegd ter grootte van het bedrag dat de overheid voor de OV-studentenkaart c.q. voor de vervangende reisvoorziening in geld heeft uitgegeven.

Het hoger beroep treft derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

Er zijn geen termen aanwezig voor vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2007.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.H.A. Uri.