Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA0439

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-03-2007
Datum publicatie
13-03-2007
Zaaknummer
06-641 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering. Raulinvergoeding. Duurbeperking. Geen ongeoorloofd onderscheid naar nationaliteit. Geen aanspraak kop een vergoeding van het verschuldigde wettelijke collegegeld gedurende meer dan 7 jaren.

Wetsverwijzingen
Wet studiefinanciering 2000 5.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2007, 142
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/641 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 5 januari 2006, 05/1079 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellante

Datum uitspraak: 2 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2007. Appellante was vertegenwoordigd door mr. drs. E.H.A. van den Berg. Betrokkene is in persoon verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Uit de voorhanden zijnde gegevens leidt de Raad af dat betrokkene de Franse en niet ook de Nederlandse nationaliteit bezit en dat zij vanaf 1 september 1997 ingeschreven heeft gestaan aan de Universiteit van Amsterdam voor een opleiding Nederlands recht. Appellante heeft betrokkene over de studiejaren 1997-1998 tot en met 2003-2004 desverzocht jaarlijks gedeeltelijke studiefinanciering toegekend in de vorm van een gift, de zogenoemde Raulinvergoeding.

Betrokkene heeft appellante verzocht om haar ook over het studiejaar 2004-2005 een Raulinvergoeding toe te kennen. Bij besluit van 14 januari 2005 is dit verzoek gehonoreerd.

Bij besluit van 5 april 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft appellante - beslissend op bezwaar - haar beslissing gehandhaafd om eerdergenoemde toekenning over het studiejaar 2004-2005 te herzien en om € 1.476,- als te veel uitbetaalde toelage terug te vorderen. Appellante heeft daartoe overwogen dat - zakelijk weergegeven - aan onderdanen van lidstaten van de Europese Unie die niet de Nederlandse nationaliteit hebben ten hoogste gedurende 7 jaren een Raulinvergoeding kan worden toegekend, omdat in artikel 5.2 van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000) is bepaald dat studenten in het hoger onderwijs ten hoogste gedurende 7 jaren in aanmerking kunnen komen voor studiefinanciering.

Tegen het bestreden besluit is door betrokkene beroep ingesteld. Aangevoerd is dat appellante verschillende malen te kennen heeft gegeven dat betrokkene op grond van een overgangsregeling tot en met het studiejaar 2004-2005 in aanmerking komt voor een volledige vergoeding van het verschuldigde collegegeld. Appellante heeft vervolgens aangegeven dat betrokkene ingevolge de overgangsregeling die is neergelegd in de beleidsregel ‘Vergoeding les- en collegegelden aan studerenden uit de Europese Unie (EU) in Nederland’ van 1 oktober 2001, uitsluitend ook over het studiejaar 2004-2005 voor een volledige (en niet slechts voor een gedeeltelijke) vergoeding van het verschuldigde collegegeld in aanmerking was gekomen, indien zij in dat studiejaar had voldaan aan alle in de WSF 2000 opgesomde, voor haar geldende toekenningsvereisten.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het inleidende beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, het bezwaar tegen de besluiten van 10 februari 2005 en 31 maart 2005 alsnog gegrond verklaard en deze besluiten herroepen alsmede bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit. Daartoe is door de rechtbank het volgende overwogen (waarbij voor ‘eiseres’ betrokkene en voor ‘verweerster’ appellante moet worden gelezen):

“4.5. De rechtbank stelt allereerst vast dat de beleidsregel van verweerster van 1 oktober 2001 beleid is in de zin van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zodat verweerster in beginsel gehouden is te handelen overeenkomstig de inhoud van die beleidsregel. In haar correspondentie met eiseres heeft verweerster eiseres van de inhoud van die beleidsregel op de hoogte gesteld, zodat zij ervan mocht uitgaan dat verweerster dienovereenkomstig zou handelen. Voorts stelt de rechtbank vast dat verweerster in de beleidsregel aangeeft dat studerenden uit een lidstaat van de EER delen van studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 kunnen ontvangen. Uit die beleidsregel valt niet af te leiden dat die vergoeding slechts voor een periode van maximaal 7 jaren kan worden verstrekt, maar slechts dat studerenden die vóór 1 september 2000 aanspraak hadden op grond van de beleidsregel Vergoeding van les- en collegegelden aan buitenlandse studerenden in Nederland van 16 juni 1993, zij deze aanspraak behouden tot uiterlijk 1 september 2005. De rechtbank is daarom van oordeel dat aan eiseres terecht een vergoeding voor het studiejaar 2004-2005 is verstrekt. Dit betekent dat de terugvordering van die vergoeding niet in rechte stand kan houden.”

Appellante heeft zich met de aangevallen uitspraak niet kunnen verenigen. Daartoe heeft appellante in essentie aangevoerd dat de regeling inzake de toegepaste duurbeperking geen onderdeel uitmaakt van de toepasselijke beleidsregels en daarvan ook geen onderdeel hoeft uit te maken om te gelden. Verder is gesteld dat uit het ten tijde van belang beschikbare voorlichtingsmateriaal van de Informatie Beheer Groep kan worden afgeleid dat er voor een opleiding in het hoger onderwijs gedurende ten hoogste 7 jaren aanspraak bestaat op een toelage, zodat betrokkene daarmee bekend had kunnen zijn.

Betrokkene heeft zich in hoger beroep primair achter de overwegingen en het oordeel van de rechtbank geschaard. Daarnaast is door betrokkene in hoofdzaak aangevoerd dat zij ten tijde van belang niet wist en ook niet had hoeven te weten dat appellante bij de toekenning van Raulinvergoedingen een duurbeperking hanteert. In dit verband is er door betrokkene op gewezen dat op de vanwege appellante beschikbaar gestelde aanvraagformulieren niet is vermeld dat er voor een studerende gedurende ten hoogste 7 jaren aanspraak bestaat op een Raulinvergoeding. Verder is door betrokkene aangegeven dat zij geen aanleiding heeft gezien of had behoren te zien om de WSF 2000 of een brochure over deze wet te raadplegen, omdat zij een Raulinvergoeding heeft aangevraagd en geen volledige studiefinanciering. Tot slot heeft betrokkene gesteld dat zij uit het besluit van 14 januari 2005 heeft mogen afleiden dat de toekenning van een Raulinvergoeding over het studiejaar 2004-2005 onomkeerbaar was, aangezien zij voldeed aan alle in dit besluit uitdrukkelijk vermelde toekenningsvoorwaarden.

De Raad overweegt als volgt.

Studenten die voldoen aan de in de WSF 2000 opgesomde vereisten komen in aanmerking voor studiefinanciering op grond van die wet.

Eén van die vereisten betreft de nationaliteit van de studerende.

Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft evenwel reeds in zijn arrest van 26 februari 1992 in zaak C-357/89 (Raulin) (LJN: AD 1623) met betrekking tot dit nationaliteitsvereiste voor recht verklaard dat het communautaire verbod op discriminatie naar nationaliteit van toepassing is op financiële steun die een lidstaat aan eigen onderdanen verleent om hen in staat te stellen een beroepsopleiding te volgen, voor zover die steun bestemd is ter dekking van de kosten van toegang tot die opleiding.

Hieruit volgt dat niet-Nederlandse studenten zoals betrokkene op grond van het Gemeenschapsrecht onder dezelfde voorwaarden als studenten met de Nederlandse nationaliteit in aanmerking komen voor studiefinanciering op grond van de WSF 2000, voor zover deze studiefinanciering is bedoeld om verschuldigd collegegeld mee te voldoen.

Indien betrokkene de Nederlandse nationaliteit had gehad, had zij ingevolge artikel 5.2, eerste en derde lid, van de WSF 2000 ten hoogste gedurende 7 jaren in aanmerking kunnen komen voor een toelage voor de door haar gevolgde opleiding Nederlands recht. De Raad ziet niet waarom dit anders is, nu betrokkene niet de Nederlandse nationaliteit bezit. Daarom is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit niet leidt tot een ongeoorloofd onderscheid naar nationaliteit en dat betrokkene aan het Gemeenschapsrecht geen aanspraak kan ontlenen op een vergoeding van het door haar verschuldigde wettelijke collegegeld gedurende meer dan 7 jaren.

Betrokkene kan naar het oordeel van de Raad evenmin gedurende meer dan 7 jaren aanspraak op een vergoeding van het door haar verschuldigde wettelijke collegegeld ontlenen aan de beleidsregels die appellante heeft vastgesteld ten behoeve van de uitvoering van voornoemd arrest Raulin. In deze beleidsregels is in hoofdzaak geconcretiseerd welk gedeelte van de studiefinanciering geacht wordt bestemd te zijn ter dekking van de kosten van toegang tot het onderwijs. Zij betreffen dus met name de hoogte van de Raulinvergoeding en niet de materiële voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om in aanmerking te komen voor een zodanige vergoeding. Die voorwaarden volgen uit de WSF 2000. Naar het oordeel van de Raad leidt het gegeven dat noch in de beleidsregels, noch in het opgenomen toekenningsbesluit van 14 januari 2005, alle in de WSF 2000 opgesomde vereisten (met uitzondering van het nationaliteitsvereiste) waaraan studenten moeten voldoen om in aanmerking te komen voor een toelage zijn geïnsereerd, geenszins tot de conclusie dat die vereisten in het onderhavige geval niet aan betrokkene kunnen worden tegengeworpen. Uit de correspondentie van appellante met betrokkene - waaronder het besluit van 14 januari 2005 - kan worden afgeleid dat betrokkene, in algemene zin, gelet op het overgangsrecht zoals dat is neergelegd in de beleidsregel ‘Vergoeding les- en collegegelden aan studerenden uit de Europese Unie (EU) in Nederland’ van 1 oktober 2001, in aanmerking kan komen voor een volledige vergoeding van het collegegeld uiterlijk tot en met het studiejaar 2004-2005. Ook daarmee is echter niet uitgesloten dat betrokkene, om voor deze vergoeding in aanmerking te kunnen komen, moet voldoen aan een aantal voorwaarden dat niet uitdrukkelijk is genoemd in bedoelde correspondentie.

De omstandigheid dat betrokkene ten tijde van belang niet wist dat studenten in het hoger onderwijs in de regel ten hoogste gedurende 7 jaren in aanmerking kunnen komen voor studiefinanciering, kan niet leiden tot een voor haar gunstig oordeel. Deze regel behoort namelijk tot de hoofdlijnen van het Nederlandse stelsel van studiefinanciering waarvan ook niet-Nederlandse aanvragers van een toelage geacht worden zich op de hoogte te stellen.

Uit het vorenstaande volgt dat appellante bevoegd was om tot herziening over te gaan van de over het studiejaar 2004-2005 aan betrokkene toegekende Raulinvergoeding. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en dat het inleidende beroep alsnog ongegrond moet worden verklaard.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidende beroep alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2007.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

JL