Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA0373

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-03-2007
Datum publicatie
12-03-2007
Zaaknummer
04-6973 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6973 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 15 november 2004, 04/16 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 maart 2007.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 januari 2007. Appellant is verschenen en het Uwv was vertegenwoordigd door mr. F.A. Put.

II.OVERWEGINGEN

Bij besluit van 11 juni 2003 heeft het Uwv bepaald dat appellants uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 16 juli 2003 wordt ingetrokken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid vanaf die datum minder dan 15% bedraagt.

Bij besluit van 3 december 2003 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 11 juni 2003 ongegrond verklaard.

Het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts over voldoende onderzoeksbevindingen beschikten om op verantwoorde wijze een inschatting van de belastbaarheid van appellant te maken. Zij is dan ook tot het oordeel gekomen dat niet gesteld kan worden dat in het geval van appellant sprake is van een onvolledig of onzorgvuldig medisch onderzoek. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van onzorgvuldigheid in (de rapportages van) het onderzoek. Vervolgens is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het bestreden besluit omtrent de mate van appellants arbeidsongeschiktheid per 16 juli 2003 niet op een ontoereikende dan wel onjuiste medische grondslag berust.

Ook de arbeidskundige kant van het bestreden besluit heeft de rechtbank in stand gelaten.

Appellant heeft in hoger beroep wederom bestreden dat er sprake is geweest van een zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek.

De Raad heeft in hetgeen hij in hoger beroep naar voren heeft gebracht, in essentie neerkomend op een herhaling van de eerder in bezwaar en beroep aangevoerde bezwaren, geen aanknopingspunten aangetroffen voor een ander oordeel dan waartoe de rechtbank is gekomen.

Ook de Raad is van oordeel dat het bestreden besluit, wat het medisch aspect betreft, kan worden gedragen door de rapporten van de verzekeringsarts R. Ponsioen en de bezwaarverzekeringsarts P.A.E.M. Hofmans. Uit het rapport van 3 februari 2003 blijkt dat het spreekuur contact tussen de verzekeringsarts Ponsioen en appellant 50 minuten heeft geduurd, dat een anamnese is afgenomen, dat appellant zijn dagverhaal heeft verteld, dat in overleg met appellant geen lichamelijk onderzoek is verricht en dat er een oriƫnterend psychisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Op basis van zijn bevindingen is de verzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat appellant belastbaar is voor passende arbeid, met beperkingen ten aanzien van zware arbeid, complexe en leidinggevende taken, koude werkomgeving en het hanteren van koude produkten. Voor een duurbeperking is volgens hem geen plaats. Ook heeft de verzekeringsarts ruim aandacht geschonken aan de suikerziekte van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen ten aanzien van het verrrichten van arbeid.

De bezwaarverzekeringsarts Hofmans heeft zich blijkens de rapportage van

5 oktober 2003 kunnen vinden in de belastbaarheid van appellant zoals deze door de verzekeringsarts is vastgesteld. Daarbij heeft de bezwaarverzekeringsarts meegewogen de inhoud van een brief van de huisarts van appellant van 21 maart 2002, waarin staat dat vanaf januari 2001 ter zake van insulinedosering een goede instelling was bereikt.

Evenals de rechtbank deelt ook de Raad niet de kritiek van appellant dat ten onrechte niet de huisarts van appellant is geraadpleegd. De Raad kan zich volledig vinden in hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen.

Hetgeen door appellant overigens is aangevoerd maar niet onderbouwd met nadere gegevens van medische aard, biedt onvoldoende aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen.

Er aldus van uitgaande dat ten aanzien van appellant de juiste medische beperkingen in acht zijn genomen, althans dat die beperkingen niet zijn onderschat, is de Raad ten slotte - onder overneming van de daartoe in de aangevallen uitspraak gebezigde overwegingen - van oordeel dat appellant, gelet op de inhoud van de rapportages van 26 maart 2003 en

10 november 2003 van de arbeidsdeskundige P. de Jongh en de bezwaararbeids-deskundige J.P.M. Optekamp-van Kaam en het formulier notities functiebelasting van

3 februari 2003, terecht in staat is geacht tot het vervullen van de functies die uiteindelijk ten grondslag aan de onderhavige schatting zijn gelegd. Met die functies kan appellant een zodanig loon verwerven dat hij per de in geding zijnde datum 16 juli 2003 niet langer voor de toepassing van de WAO in relevante mate arbeidsongeschikt is te achten. De intrekking van appellants uitkering per die datum is dan ook niet onjuist.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J. Riphagen en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.J. Janssen.

TG15022007