Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA0273

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-03-2007
Datum publicatie
09-03-2007
Zaaknummer
04/5265 + 04/5266 + 07/1285 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering onverschuldigd betaalde WAO-uitkering vanwege verzwegen inkomsten uit arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/5265 + 04/5266 + 07/1285 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 17 augustus 2004, 02/4257 en 03/3167 (hierna: aangevallen uitspraken),

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F. Liebaut, advocaat te Lokeren, België, tegen elk der aangevallen uitspraken hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend en vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2007. Appellante is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.B. Snoek.

II. OVERWEGINGEN

Aan appellante is met ingang van 22 oktober 1980 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op aan appellante toegezonden en door haar geretourneerde inlichtingenformulieren heeft appellante aangegeven naast haar uitkering geen andere inkomsten te hebben.

In oktober 2000 heeft het Uwv een melding ontvangen dat appellante al jarenlang inkomsten uit arbeid geniet. Uit een door het Uwv ingesteld onderzoek is gebleken dat appellante sedert 1983 inkomsten geniet uit een praktijk als kinesiologe en uit de handel in voedingssupplementen.

Bij besluit van 27 mei 2002 heeft het Uwv appellante bericht dat hem is gebleken dat op grond van de verkregen gegevens het vermoeden bestaat dat appellante geen recht meer heeft op haar uitkering ingevolge de WAO en dat de betaling van deze uitkering om deze reden met ingang van 1 juni 2002 wordt geschorst. Bij het bestreden besluit van

13 augustus 2002 (hierna: besluit 1) heeft het Uwv zijn besluit van 27 mei 2002 na bezwaar gehandhaafd.

Op basis van de uit het onderzoek verkregen gegevens heeft het Uwv een berekening gemaakt van de inkomsten van appellante over de periode van 1 januari 1996 tot

1 september 2001, met ingang van welke datum appellante haar werkzaamheden heeft beëindigd. Deze berekening heeft het Uwv tot een aantal besluiten aanleiding gegeven. Bij besluit van 13 februari 2003 is appellante medegedeeld dat haar uitkering ingevolge de WAO over de jaren 1996 en 1997 wordt uitbetaald als was appellante 55 tot 65% arbeidsongeschikt en over 1998 als was zij 25 tot 35% arbeidsongeschikt. Bij besluit van 17 februari 2003 is appellantes uitkering met ingang van 1 januari 1999 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% en is appellante medegedeeld dat de uitbetaling over de jaren 1999, 2000 en 2001 (tot 1 september) geschiedt naar een mate van arbeidsongeschiktheid van respectievelijk 25 tot 35%, 35 tot 45% en 25 tot 35%. Bij besluit van 18 februari 2003 is appellantes uitkering met ingang van 1 september 2001 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Ten slotte is bij besluit van 19 februari 2003 van appellante de over de jaren 1996 tot en met 2002 te veel betaalde uitkering ten bedrage van € 69.600,88 teruggevorderd. Bij het bestreden besluit van 12 juni 2003 (hierna: besluit 2) heeft het Uwv na bezwaar zijn besluiten van 13 en 17 februari 2003 gehandhaafd, zijn besluit van 18 februari 2003 ingetrokken en zijn besluit van 19 februari 2003 in zoverre herzien dat de terugvordering wordt beperkt tot de periode van

1 augustus 1996 tot en met 31 december 2002 en dat het bedrag van de terugvordering is gesteld op € 59.470,67.

De rechtbank heeft de beroepen tegen de besluiten 1 en 2 bij de aangevallen uitspraken ongegrond verklaard.

De Raad stelt in de eerste plaats vast dat het Uwv hangende het beroep in eerste aanleg op 15 juli 2003 een nieuw besluit heeft genomen, waarbij het bedrag van de terugvordering na correctie van een misrekening is gesteld op € 64.064,66. De rechtbank heeft dit besluit, dat wijziging brengt in besluit 2, ten onrechte niet op grond van artikel 6:19, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij zijn beoordeling betrokken. De Raad zal dat alsnog doen.

Met betrekking tot besluit 1 heeft de rechtbank in haar uitspraak – kort weergegeven – overwogen dat op basis van hetgeen appellante heeft verklaard over de door haar genoten inkomsten, het Uwv het gegronde vermoeden kon hebben dat appellante geen recht meer had op haar uitkering, zodat het Uwv appellantes uitkering op goede gronden heeft geschorst. De Raad kan zich in deze overwegingen vinden. In hoger beroep is namens appellante naar voren gebracht dat appellante op medische gronden voor een uitkering in aanmerking kwam, dat appellantes toenmalige partner de inlichtingenformulieren invulde en de inhoud daarvan appellante niet kunnen worden toegerekend, dat het strafrechtelijk onderzoek nog niet was voltooid en dat geen sprake was van equality of arms nu het Uwv wel en appellante niet over het strafrechtelijk dossier beschikte.

De laatste grond ziet op de wijze van tot stand komen van de besluitvorming van het Uwv. De Raad stelt vast dat appellante(s gemachtigde) in elk geval in de bezwaarfase over dezelfde stukken beschikte als het Uwv, zodat van ongelijkheid als door appellante bedoeld geen sprake was. Reeds op grond hiervan treft deze grond geen doel.

De overige stellingen, wat daarvan overigens ook zij, kunnen aan de overwegingen van de rechtbank dat het Uwv het gegronde vermoeden kon hebben dat appellante ten onrechte een uitkering ontving, niet afdoen. Met betrekking tot het nog niet afgerond zijn van het strafrechtelijk onderzoek verwijst de Raad naar zijn uitspraak van

10 oktober 2006, LJN AZ0174. Evenals in het in die uitspraak beoordeelde geval, dient de Raad zich in casu als bestuursrechter over een geheel andere rechtsvraag een oordeel te vormen dan de strafrechter en staat het nog niet afgerond zijn van het strafrechtelijk onderzoek aan een oordeel van de Raad niet in de weg.

Aan de fictieve schatting van de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid over de jaren 1996 tot en met 2001 en de herziening van haar uitkering met ingang van

1 januari 1999 liggen berekeningen van het Uwv ten grondslag waarin op basis van appellantes eigen verklaringen een schatting van haar inkomsten is gemaakt. Door of namens appellante zijn tegen deze berekeningen geen bezwaren aangevoerd. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat deze schatting van appellantes inkomsten op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Dat appellantes inkomsten niet met juistheid vallen vast te stellen, komt voort uit het ontbreken van een deugdelijke administratie, hetgeen voor appellantes rekening dient te blijven.

Ook in dit geding heeft appellantes gemachtigde naar voren gebracht dat appellante op medische gronden voor een uitkering in aanmerking komt. Dit vermag evenwel niet af te doen aan hetgeen in artikel 44 van de WAO is neergelegd omtrent de wijze waarop met feitelijke inkomsten uit arbeid rekening dient te worden gehouden. De Raad vermag niet in te zien dat door het Uwv aan het in dat artikel bepaalde niet op juiste wijze toepassing is gegeven. De Raad is dan ook van oordeel dat de rechtbank besluit 2 voor zover dat betrekking heeft op de fictieve schatting en de herziening van appellantes uitkering, terecht in stand heeft gelaten.

Met betrekking tot de terugvordering heeft het Uwv op 15 juli 2003 een nieuw besluit (hierna: besluit 3) genomen, dat een hoger terugvorderingsbedrag bevat dan in besluit 2 was neergelegd. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 26 mei 2003 (LJN AH8564) overweegt de Raad dat het Uwv op grond van artikel 57 van de WAO in beginsel gehouden was om tot terugvordering tot een hoger bedrag over te gaan, in welk geval het bepaalde in artikel 7:11, eerste lid, van de Awb zich er niet tegen verzet dat bij een nieuw besluit een voor een belanghebbende nadeliger beslissing wordt genomen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat appellante zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in de gelegenheid is geweest eventuele grieven tegen dit nieuwe besluit naar voren te brengen.

Op verzoek van de Raad heeft het Uwv een specificatie van het teruggevorderde bedrag overgelegd. Uit deze specificatie, waarin is aangegeven op welke bedragen appellante recht had en welke bedragen zijn uitbetaald, blijkt dat in totaal € 64.043,94 ten onrechte aan appellante is betaald. Dit bedrag is lager dan het in besluit 3 genoemde terugvorderingsbedrag. De gemachtigde van het Uwv heeft ter zitting van de Raad gesteld dat de oorzaak hiervan moet worden gevonden in afrondingsverschillen en dat het eerdere bedrag van € 64.064,66 het juiste is. De Raad ziet hierin onvoldoende aanleiding het in besluit 3 genoemde bedrag als juist te aanvaarden, nu het Uwv van dat bedrag niet kan aangeven hoe het is samengesteld. Omtrent de juistheid van het teruggevorderde bedrag van € 64.043,94 zijn door of namens appellante geen grieven naar voren gebracht.

Namens appellante is gesteld dat er dringende redenen zijn om van de terugvordering af te zien. Gesteld is dat appellante ‘aan de grond zit’. Deze stelling is evenwel niet met gegevens onderbouwd. Ook in de gedingstukken zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat door de terugvordering onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen voor appellante optreden. De Raad ziet dan ook geen dringende reden op grond waarvan het Uwv van terugvordering had moeten afzien.

Hetgeen appellantes gemachtigde naar voren heeft gebracht omtrent de hoogte van een straf, kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden, nu het hier niet om een straf doch om een terugvordering van ten onrechte betaalde uitkering gaat.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de rechtbank ten onrechte de bij besluit 2 gehandhaafde terugvordering heeft beoordeeld. De aangevallen uitspraak met nummer 03/3167 kan in zoverre niet in stand blijven. Voorts dient besluit 2 te worden vernietigd voor zover dat op de terugvordering betrekking heeft, nu dat besluit in zoverre niet wordt gehandhaafd. Ten slotte stelt de Raad vast dat besluit 3 niet in stand kan blijven omdat dit een onjuist terugvorderingsbedrag bevat. Nu voor de Raad vaststaat tot welk bedrag de onverschuldigd aan appellante betaalde uitkering dient te worden teruggevorderd, zal de Raad in deze zin zelf in de zaak voorzien.

Voor het overige komen de aangevallen uitspraken voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak met nummer 03/3167 voorzover deze de terugvordering betreft;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 12 juni 2003 gegrond voorzover dat besluit de terugvordering betreft en vernietigt dat besluit in zoverre;

Bepaalt dat het van appellante teruggevorderde bedrag wordt gesteld op € 64.043,94;

Verklaart het hoger beroep voor het overige ongegrond;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitkeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 1.288, - te betalen door het Uitkeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitkeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 131,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en H.J. Simon en H.G. Lubberdink als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2007.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) P.H. Broier.

GdJ