Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA0149

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-02-2007
Datum publicatie
08-03-2007
Zaaknummer
05-4306 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag in proeftijd. Voldaan aan eisen en verwachtingen? Functioneringsgesprek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4306 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 8 juni 2005, 05/77 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: minister)

Datum uitspraak: 15 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. A. Kara, advocaat te Maastricht. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Dishoeck en Th.F. Verstegen, beiden werkzaam bij het Korps landelijke politiediensten.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellante is met ingang van 1 oktober 2003 met toepassing van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) aangesteld als senior medewerker administratie in tijdelijke dienst met een proeftijd van een jaar bij de dienst Spoorwegpolitie van het Korps landelijke politiediensten, dit voor (gemiddeld) 20 uren per week.

1.2. Bij besluit van 29 maart 2004 heeft de minister appellante met ingang van 1 mei 2004 eervol ontslag verleend met toepassing van artikel 89, vierde lid, van het Barp.

Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 14 december 2004.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. De minister stelt zich op het standpunt dat appellante niet aan redelijkerwijs te stellen eisen en verwachtingen heeft voldaan en dat een ontslag binnen de proeftijd alleszins is te rechtvaardigen.

Naar de rechtbank terecht heeft aangegeven dient de rechter dit standpunt op terug-houdende wijze op juistheid te toetsen.

3.2. Blijkens de gedingstukken zijn op 26 november 2003, 16 december 2003 en

26 januari 2004 functioneringsgesprekken met appellante gehouden en is op 9 maart 2004 een voortgangsgesprek gehouden. De leidinggevende van appellante heeft van het begin af aan kritiek gehad op de wijze waarop appellante functioneerde; daarbij ging het om het merendeel van de aspecten die voor de functievervulling van belang zijn. Appellante heeft geen feiten of omstandigheden genoemd die de Raad grond zouden kunnen geven voor twijfel omtrent de juistheid van de zienswijze van deze leidinggevende.

3.3. De minister heeft voorts genoegzaam uiteengezet dat appellante in voldoende mate is begeleid en dat haar ook overigens voldoende gelegenheid is gegeven zich te bekwamen teneinde aan de gestelde eisen te kunnen voldoen. Daarbij merkt de Raad nog op dat appellante zich in geval van afwezigheid van haar begeleidster voor vragen tot bepaalde andere medewerkers kon wenden.

3.4. Voor zover appellante heeft willen stellen dat, nu haar bij haar aanstelling is toegezegd dat na vijf maanden een functioneringsgesprek zou worden gehouden, zij ervan mocht uitgaan dat zij langer de gelegenheid zou krijgen om zich in de uitoefening van haar functie te bewijzen, overweegt de Raad dat de leidinggevende van appellante in het zijns inziens duidelijk bij de verwachtingen achterblijvende functioneren van appellante met recht grond heeft kunnen zien om dit in een vroeg stadium met haar te bespreken in de vorm van een functioneringsgesprek. Aldus werd appellante tijdig de mogelijkheid geboden haar werkwijzen bij te stellen. Aangezien hieruit geen resultaten voortvloeiden en deze ook niet binnen afzienbare tijd werden verwacht heeft de minister besloten om appellante reeds binnen de proeftijd van een jaar te ontslaan. In de gegeven omstandig-heden ziet de Raad geen aanleiding te oordelen dat de besluitvorming van de minister de aan te leggen rechtmatigheidstoets niet kan doorstaan.

3.5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2007.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) R.A. Huizer.