Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA0026

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-03-2007
Datum publicatie
07-03-2007
Zaaknummer
06/606 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning van het verzoek tot veroordeling in de proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/606 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 20 december 2005, 04/1133 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 5 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 23 januari 2007, waar partijen - zoals tevoren bericht - niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Op 1 juli 2004 heeft appellant een aanvraag om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand ingediend. Bij besluit van 5 juli 2004 heeft het College deze aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gelaten. Tegen dit besluit is namens appellant bezwaar gemaakt waarbij tevens is verzocht om vergoeding van de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken.

Bij besluit van 22 september 2004 heeft het College naar aanleiding van de aanvraag van 1 juli 2004 alsnog bijzondere bijstand toegekend.

Bij besluit van 5 november 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van

5 juli 2004 wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk verklaard. Voorts heeft het College het verzoek om vergoeding van de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, afgewezen op de grond dat geen sprake is geweest van een aan het College te wijten onrechtmatigheid van het besluit van 5 juli 2004.

Bij uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb van 28 april 2005 (reg. nr. 04/1133) heeft de rechtbank - met een bepaling omtrent griffierecht - het namens appellant ingestelde beroep tegen het besluit van 5 november 2004 gegrond verklaard voor zover het College het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard, het besluit van

5 november 2004 in zoverre vernietigd en met toepassing 8:72, vierde lid, van de Awb het bezwaar alsnog in zoverre gegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep voor het overige ongegrond verklaard en het meer of anders verzochte afgewezen.

Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Awb van 22 juli 2005

(reg.nr. 04/1133) heeft de rechtbank het namens appellant gedane verzet tegen de uitspraak van 28 april 2004 gegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat waar het verzet de proceskosten in beroep betreft dit in het door de rechtbank in de hoofdzaak nog te nemen oordeel dient te worden betrokken en dat daarbij met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) ten aanzien van de proceskosten in verzet 0,5 punt dient te worden gerekend.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling omtrent griffierecht - het beroep gegrond verklaard voor zover dit is gericht tegen de weigering van het College om appellant in aanmerking te brengen voor een vergoeding van de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken en het besluit van 5 november 2004 in zoverre vernietigd. Voorts heeft de rechtbank het College veroordeeld in de proceskosten van appellant, welke zijn vastgesteld op € 644,--. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat zij termen aanwezig acht het College op de voet van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken en dat met inachtneming van het Bpb de kosten zijn bepaald op € 644,--, zoals nader aangegeven op een bij de uitspraak gevoegde bijlage. De betreffende bijlage vermeldt dat de vergoeding is toegewezen voor de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en wel voor het indienen van een bezwaarschrift en voor het verschijnen ter zitting.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover deze de veroordeling in de proceskosten betreft. Hij verzoekt alsnog een vergoeding toe te wijzen voor het indienen van een beroepschrift en voor het indienen van een verzetschrift.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Gelet op de overwegingen van de aangevallen uitspraak is de Raad van oordeel dat de rechtbank het College heeft veroordeeld in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskostenveroordeling in de aangevallen uitspraak heeft derhalve geen betrekking op de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. De vermelding in de bijlage bij de aangevallen uitspraak dat de vergoeding is toegewezen voor het indienen van een bezwaarschrift berust dan ook op een vergissing. De Raad is met het College van oordeel dat kennelijk bedoeld is aan te geven dat een vergoeding wordt toegewezen voor het indienen van een beroepschrift.

Gelet op het feit dat de gemachtigde van appellant beroepmatig rechtsbijstand verleent, deze namens appellant een verzetschrift heeft ingediend tegen de uitspraak van de rechtbank van 28 april 2005 en de rechtbank bij haar uitspraak van 22 juli 2005 het verzet gegrond heeft verklaard, heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ten onrechte geen vergoeding toegewezen voor het indienen van een verzetschrift. De Raad merkt in dit verband op dat de rechtbank reeds in haar uitspraak van 22 juli 2005 appellant een vergoeding van de kosten van het indienen van een verzetschrift in het vooruitzicht heeft gesteld.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de aangevallen uitspraak - voor zover aangevochten - voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal - doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen - het College veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken tot een bedrag van € 805,-- voor verleende rechtsbijstand. Bij de begroting van de kosten is de Raad ervan uitgegaan dat de gemachtigde van appellant namens appellant een beroepschrift heeft ingediend (1 punt), verschenen is ter zitting als bedoeld in artikel 8:56 van de Awb (1 punt) en namens appellant een verzetschrift heeft ingediend (0,5 punt).

De Raad merkt nog op dat het voorgaande niet afdoet aan de uit de aangevallen uitspraak voor het College voortvloeiende verplichting om de door appellant in de bezwaarfase gemaakte kosten van rechtsbijstand te vergoeden. Uit het verweerschrift blijkt dat het College dit ook heeft onderkend. Daarin heeft het College aangegeven dat, naar aanleiding van de aangevallen uitspraak, de kosten van het bezwaar alsnog aan appellant zijn vergoed.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat appellant heeft aangegeven het niet opportuun te achten om het College in die kosten te veroordelen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 805,--, te betalen door de gemeente Groningen;

Bepaalt dat de gemeente Groningen aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 103,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2007.

(get.) C. van Viegen.

(get.) L. Jörg.