Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA0014

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-02-2007
Datum publicatie
07-03-2007
Zaaknummer
04-6258 WVG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging financiële tegemoetkoming toegekend in de kosten van het gebruik van die auto. Strijd met het gelijkheidsbeginsel.

Wetsverwijzingen
Grondwet 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 136
RSV 2007, 193
NJB 2007, 732
ABkort 2007/129
USZ 2007/123
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6258 WVG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 29 september 2004, 04/1347 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage

(hierna: College),

Datum uitspraak: 28 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.P. de Witte, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2006. Voor appellant is daar verschenen mr. De Witte. Het College heeft zich daar laten vertegenwoordigen door mr. M.I.E. Rhuggenaath, werkzaam in dienst van de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende, tussen partijen niet in geschil zijnde, feiten en omstandigheden.

Appellant ondervindt beperkingen bij het zich verplaatsen. In verband daarmee heeft de sociaal-geneeskundige J.D. Reijnen, verbonden aan ZVN Advies NV, hem bij advies van 2 april 2001 aangewezen geacht op een vervoersvoorziening in de vorm van collectief aanvullend openbaar vervoer (hierna: CAV). Omdat appellant een eigen auto had, heeft het College hem, in plaats daarvan, bij besluit van 4 juli 2001 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) een financiële tegemoetkoming toegekend in de kosten van het gebruik van die auto.

Het College heeft deze voorziening bij besluit van 21 december 2001 beëindigd per

1 januari 2002 en appellant met ingang van die datum in aanmerking gebracht voor het CAV. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 19 april 2002 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend zodat het in rechte onaantastbaar is geworden. Aangezien appellant geen gebruik wenste te maken van het CAV heeft het College deze voorziening bij besluit van 12 december 2002 beëindigd per 1 januari 2003. Ook dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden.

Omdat hij niet langer over een eigen auto beschikte heeft appellant op 7 augustus 2003

op grond van de Wvg een individuele vervoersvoorziening aangevraagd. Het College heeft die aanvraag bij besluit van 10 september 2003 afgewezen. Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 17 februari 2004 ongegrond verklaard. Het College stelt zich op het standpunt dat appellant blijkens het advies van de betrokken artsen van Argonaut BV in staat moet worden geacht om gebruik te maken van het CAV. Voor een financiële tegemoetkoming om zelf in individueel vervoer te voorzien komt appellant niet in aanmerking omdat hij geen kentekenbewijs van een eigen auto heeft overgelegd.

De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 17 februari 2004 ongegrond verklaard.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de adviserend arts ten onrechte heeft aangenomen dat hij gebruik kan maken van de taxibus aangezien het in- en uitstappen voor hem te lastig is en het rijden te pijnlijk. Voorts is een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Autobezitters in de gemeente ’s-Gravenhage komen, ook als er een indicatie is voor gebruik van het CAV, in aanmerking voor een individuele tegemoetkoming voor vervoerskosten, terwijl degenen die geïndiceerd zijn voor het CAV, maar niet over een eigen auto beschikken, daarvoor niet in aanmerking komen.

Het College heeft gepersisteerd bij zijn in het besluit van 17 februari 2004 neergelegde standpunt.

De Raad overweegt het volgende.

Artikel 1.2, eerste lid, onder c van de Verordening voorzieningen gehandicapten 1994 van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: de Verordening) bepaalt dat een voorziening slechts kan worden toegekend voor zover deze, naar objectieve maatstaven gemeten,

als de goedkoopste adequate voorziening kan worden aangemerkt.

Ingevolge artikel 3.2, tweede lid, van de Verordening kan aan een gehandicapte een vervoersvoorziening in de vorm van financiële tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een eigen auto, dan wel vervoer door een derde, worden toegekend wanneer aantoon-bare medische beperkingen het gebruik van het CAV onmogelijk maken, dan wel indien hij beschikt over een bruikleenauto of over een eigen auto.

Laatstgenoemde bepaling wordt door het College aldus uitgelegd en toegepast dat een gehandicapte, van wie is vastgesteld dat hij gebruik kan maken van het CAV, de keuze heeft om in plaats daarvan in aanmerking te komen voor een financiële tegemoetkoming voor de kosten van het gebruik van een eigen auto, dan wel een auto van een huisgenoot.

Daartoe is ingevolge het ten tijde in geding van toepassing zijnde Handboek WVG van

de gemeente ’s-Gravenhage, waarin deze gedragslijn is neergelegd, vereist dat die gehandicapte een kopie overlegt van het kentekenbewijs van de eigen auto, dan wel

de auto van een huisgenoot. Het beleid om de bezitters van een eigen auto die zijn aangewezen op het CAV de mogelijkheid te bieden om in plaats daarvan in aanmerking te komen voor een financiële tegemoetkoming is, blijkens een ter zitting van de Raad namens het College gegeven toelichting, voortgevloeid uit de door het gemeentebestuur bij de invoering van de Wvg gemaakte beleidskeuze om deze groep van gehandicapten niet anders te behandelen dan de gehandicapten die destijds al over een bruikleenauto beschikten. Voormelde keuzemogelijkheid blijft blijkens het Handboek WVG echter niet beperkt tot gehandicapten die ten tijde van hun eerste aanvraag om een vervoersvoorziening (konden) beschikken over een eigen auto, dan wel een auto van een huisgenoot, maar komt tevens toe aan gehandicapten die nadien over zulk een auto (zijn) komen te beschikken. Voorts berust deze keuze blijkens het verweerschrift in hoger beroep op de gedachte dat eerstgenoemde groep veelal een investering heeft gedaan in individueel eigen vervoer en dat daarom van hen in het kader van de Wvg niet kan worden verlangd dat zij in plaats daarvan gebruik zullen gaan maken van het CAV.

De Raad stelt vast dat de artsen die het College met betrekking tot de aanvragen van appellant om vervoervoorzieningen hebben geadviseerd in de jaren 2001 tot en met 2003 tot driemaal toe hebben geconcludeerd dat er geen aantoonbare objectief medische beperkingen zijn die appellant verhinderen gebruik te maken van het CAV. Appellant heeft geen contra-expertise ingebracht die de onjuistheid van die bevindingen aantoont. De Raad vindt, gelet hierop, geen grond voor het oordeel dat het College ten onrechte heeft aangenomen dat appellant in staat was gebruik te maken van het CAV.

Het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel slaagt. Het door het College

gevoerde beleid maakt binnen de groep gehandicapten die zijn aangewezen op het CAV onderscheid tussen gehandicapten die niet over een auto van een huisgenoot, dan wel

een eigen auto (kunnen) beschikken en zij die dat wel doen. De beleidskeuze van de gemeenteraad om de op het CAV aangewezen gehandicapten, die over een auto van een

huisgenoot, dan wel over een eigen auto (kunnen) beschikken op gelijke wijze te behandelen als gehandicapten aan wie een bruikleenauto ter beschikking is gesteld, vormt geen deugdelijke rechtvaardiging om eerstgenoemde groep anders te behandelen dan de op het CAV aangewezen gehandicapten die niet over een auto van een huisgenoot, of een eigen auto (kunnen) beschikken, en die ervoor kiezen om zich, in plaats van door het CAV, individueel (op eigen kosten) te laten vervoeren door derden.

Als gevolg van dat beleid worden op het CAV aangewezen gehandicapten die beschikken over een eigen auto, dan wel een auto van een huisgenoot, bij de toepassing van de Verordening -in ieder geval uit een oogpunt van individuele voorkeur- in een gunstiger positie gebracht dan gehandicapten die in gelijke medische/ergonomische omstandigheden verkeren en die van deze mogelijkheid geen gebruik (kunnen) maken.

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep gegrond is en dat het besluit van

17 februari 2004 wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel, zoals dit onder meer is verwoord in artikel 1 van de Grondwet, dient te worden vernietigd. Aangezien dat besluit in de aangevallen uitspraak in stand is gelaten dient ook deze uitspraak te worden vernietigd. Het College dient een nieuw besluit op het bezwaar van appellant te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

De Raad acht termen aanwezig om het College te veroordelen tot vergoeding van proceskosten. Deze worden begroot op

€ 644,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 17 februari 2004;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit neemt op het bezwaar tegen het besluit van

10 september 2003 met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College tot vergoeding van de proceskosten van appellant ten bedrage van € 1.288,--, te betalen door de gemeente ’s-Gravenhage aan de griffier van de Raad;

Gelast dat de gemeente ’s-Gravenhage het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 139,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.I. ’t Hooft als voorzitter en R.M. van Male en G.M.T. Berkel-Kikkert als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2007.

(get.) M.I. ’t Hooft.

(get.) M. Renden.